«« gebouw(kunde), kantoor (concepten) & vastgoed


Een kantoorgebouw om te XX


Deze pagina is leesbaar in diverse Europese talen :
This page is readable in various European languages :

deze informatie wordt u aangeboden door leo hooijmans, lid van fmn
met teksten en informatie van prof. ir. jouke post van xx architecten

Een gebouw als prototype van een nieuw milieuconcept.
LeoHooijmansBureauGalileoNoordwijkFacilitaireInformatieOnline??

Voorwoord van Leo Hooijmans
Project XX - Het Boek
Voorwoord van Sander Gelinck SEV
Inhoudsopgave

Voorwoord van Leo Hooijmans
MVO (Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen), Cradle2Cradle (kwalitatief hergebruik) zijn onderwerpen van gesprek in 2008-2009.
Het lijkt even op een zoveelste hype (iets nieuws dat tijdelijk sterk de aandacht trekt, maar weinig voorstelt -Van Dale).
Laten we wensen dat het een trend is die doorzet. Bij het ontwerpen van nieuwe artikelen of ontwikkelingen vooraf bedenken wat de vernieuwing betekent voor mens en milieu.
Dat is niet iets nieuws. Vroege vogels bij dit onderwerp was de ontwerpgroep van het zogenaamde Projext XX in 1999. De nieuwbouw van een kantoor in Delft, waarbij de doelstelling was om het gebouw te ontwerpen en te bewonen voor een periode van twintig (XX) jaar.
In 1999 had ik daarvan al gehoord, maar nu met de hype (of trend) in de hand leek het me een goed idee om er nog eens extra aandacht aan te besteden. In 2009 is de doelstelling van het gebruik halverwege en over tien jaar zal het gebouw zover zijn dat het uit elkaar valt (ehh.... gedemonteerd kan worden) en er niets meer dan een paar hoopjes zand overblijven.

Tijdens de zoektocht naar het project kon ik het gebouw in Delft bezoeken. Een warm welkom was mijn deel. Mevrouw Amanda Kramer, Office Manager van Thales (de huidige bewoner van 't kantoor) ontving me heel vriendelijk met koffie en voorzag me van de nodige informatie. Nu (2009) is er regelmatig belangstelling uit de hele wereld omdat het project halverwege is.
Via het internet kwam ik gauw achter het huidige adres van de heer Jouke Post, één van de gangmakers van het project. Mijn vraag of ik teksten van hem mocht gebruiken werd posititief beantwoord. Met bronvermelding, natuurlijk. En dat doen we ook. Alle eer voor het XX-team.
Vanuit zijn bureau 'XX architecten' zorgde Diana van Veldhuizen (TU/e) voor aanvullende informatie en foto's.
Bij Amanda Kramer, mocht ik een introductieboekje inkijken en digitaal opslaan. Bij navraag bij de uitgever van het boekje, SEV (Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting) vernam ik dat het boekje helaas niet meer leverbaar is. Óf ik het laatste boekje wilde ontvangen! Daarvoor is mijn dank aan Anja van de Velde zeer groot. Dat gaf me ook de geest om niet een summiere samenvatting van het boekje weer te geven, maar nagenoeg de hele tekst.
Vanuit de scan kwam de ocr (optical character recognition) er niet zo best vanaf. Toen (1999) en ehh... nog steeds wordt er met drukwerk geen rekening gehouden dat de keuze voor leesbare lettertypen voor mens en ocr van het grootste belang zijn. Een d wordt cl, een m wordt r n, een e wordt een c en woorden, punten en komma's en spaties worden soms helemaal niet goed overgezet. Veel werk, maar met plezier gedaan. Vooral omdat op deze manier een bijzonder boekje over een bijzonder bouwproject voor iedereen weer leesbaar is. Vooral voor mensen die studeren en/of werken in de facilitaire en architectonische omgeving. En als voorbeeld voor directie en bestuurders die met het milieu en kostenbesparing goed rekening houden.

De onderstaande tekst en een paar plaatjes zijn uit het boekje.
(Zie voor auteurs en medewerkers 't colofon)
In de teksten heb ik soms iets aangepast. Bijvoorbeeld 'vorig jaar ' naar '1998'! Met de foto's en plaatjes uit het boekje, de ontvangen foto's via Diana van Veldhuizen en foto's vanuit mijn eigen camera heb ik een samenvoeging gemaakt om u zo'n goed mogelijke indruk te geven van het Project XX.
Een Project om te XX ;D
Leo Hooijmans, Noordwijk, 20 juli 2009





Een gebouw als prototype van een nieuw milieuconcept
Levensduur = Gebruiksduur



Voorwoord
Al jaren wordt in Nederland gediscussieerd over de betekenis van duurzaam bouwen. Voor de milieuvrienden van het eerste uur is duurzaam bouwen de benaming van ecologisch of 'mens en milieuvriendelijk' bouwen, met als uiterste variant helemaal niet bouwen. De 'bouwers aan Nederland', gemakshalve maar even de verzamelnaam voor ontwikkelaars, bouwers en architecten, geven aan duurzaamheid meer de betekenis van een lange levensduur of toekomstwaarde. Niet zelden hoor je de stelling (als het milieudenken de bouwers te heet onder de voeten wordt): 'een gebouw dat honderd jaar meegaat, dat is pas duurzaam'.

Zoals dat gaat in discussies worden de twee - meningen en partijen – tegenover elkaar geplaatst alsof we hier een fundamentele tegenstelling te pakken hebben. Dat is het natuurlijk niet. Het Project XX laat zien dat de twee definities van duurzaamheid niet elkaars tegenpolen, maar de verschillende kanten van dezelfde medaille zijn. Bijzonder aan het Project XX is dat niet gekozen is voor een langere levensduur, waardoor milieuzonden over zoveel mogelijk jaren worden uitgesmeerd. Maar de consequenties van de almaar korter wordende economische levensduur van gebouwen vormden het vertrekpunt. Realiseer een gebouw dat maximaal twintig jaar meegaat en kies er de materialen bij die in diezelfde periode tot stof zijn vergaan of helemaal hergebruikt kunnen worden. Markttechnisch en ontwerptechnisch een logische gedachte, maar of het milieu er ook wel bij vaart? Sinds enkele jaren kunnen we, met Eco-Quantum, rekenen aan dergelijke oplossingen. En om het maar meteen te verklappen: het Project XX is aantoonbaar milieuvriendelijker dan traditionele ontwerpen.

Daarmee heeft het Project XX nogal wat consequenties. Een lange levensduur is niet per definitie beter, om er maar een te noemen. Maar ook: een ontwerp is duurzaam wanneer materialen zijn gekozen die passen bij de verwachte levensduur. Het kan dus beter zijn een net iets minder milieuvriendelijk materiaal te kiezen als dat beter aansluit op de levensduur van het gebouw. Levensduur als ontwerpvariabele, kortom.

Het kan niet anders of deze zaken gaan de discussie overduurzaamheid beïnvloeden. Welke bouwwijzen of ontwerpbeslissingen maken het aannemelijk om een langere levensduur voor een gebouw aan te houden? Wat betekenen ruimere maatvoering, de mogelijkheid woonplattegronden te realiseren of demontabel bouwen voor de toekomstwaarde van vastgoed? Of andersom: hoe ziet een woning eruit die dertig jaar moet meegaan? En een woongebouw voor tweehonderd jaar? Ontwerpen wordt weer leuk!

Sander Gelinck SEV-programmabegeleider Duurzaam Bouwen


Inhoudsopgave

Inleiding

1 Gebouwen, eeuwig veranderlijk
2 Bedrijven kiezen hun kantoor
2.1 De criteria
2.2 Het 'comptoir'; de jaren zijn geteld

3 XX: het idee geboren

Intermezzo 1: Interview prof. ir. J.M. Post

4 Het team aan de slag
4.1 Het team
4.2 De opgave en haar randvoorwaarden
4.2 De zoektocht
4.3.1 Kantoorconcepten
4.3.2 Levensduur van de bouwmaterialen
4.3.3 De draagconstructie
4.3.4 De klimaatbeheersing

5 Het XX-kantoor, haar verschijningsvorm
5.1 Ligging en indeling
5.2 Fundering, draagconstructie, vloeren en dak
5.3 Klimaatbeheersing en de gevel
5.4 Architectuur

Intermezzo 2: Interview ing. G.C.J. Verweij

6. Het XX-kantoor: een meetbaar resultaat
6.1 Eco-Quantum, het milieu-meetlint
6.2 De milieubelasting gemeten
6.3 De huisvestingskosten
6.3.1 De opzet
6.3.2 De berekening
6.3.3 Het resultaat
6.4 XX getoetst

Intermezzo 3: De Nederlandse Bouwprijs

7 De toekomst en duurzaam bouwen: XX kritisch bekeken
7.1 Het belang van de opgave
7.2 De gevolgen
7.2.1 Het milieu en de bouwwereld
7.2.2 De stedenbouwkundige gevolgen
7.2.3 De architectonische gevolgen
7.3 XX gaat verder
7.4 Tenslotte

Ontwikkelingsteam Project XX: leden en adressen
Boorziek mensdom, L.F. Rosen
Colofon

[top] --------- [inhoudsopgave]

Inleiding

Voor u ligt meer dan zomaar een verhaal over 'een' gebouw; het XX-kantoor.
Hoe boeiend het verhaal over dit gebouw ook is, van veel fundamenteler belang is de omslag in het denken die achter het XX-concept ligt. Het is vergelijkbaar met het bekende gezegde 'Als de berg niet tot Mohammed komt, dan zal Mohammed tot de berg gaan'. Oftewel; als de economische levensduur van een gebouw niet strookt met de technische levensduur, moet de technische levensduur worden aangepast aan die economische levensduur.
Bij het XX-kantoor is die technische levensduur geënt op twintig jaar. Op dit moment ligt de economische levensduur van een gemiddeld kantoor rond de vijfentwintig tot dertig jaar. Maar zelfs die korte termijn staat nog onder druk. Steeds sneller wisselen de inzichten over het ideale kantoor, de meest efficiënte organisatievorm, het milieuvriendelijkste materiaal en de beste locatie voor een bedrijf. Duurzaam bouwen lijkt dan een tegengestelde tendens, want -te eenzijdig geïnterpreteerd- wordt dit vaak vertaald tot bouwen voor de eeuwigheid.

Maar 'duurzaam' is juister te verstaan als het voor lange termijn veilig stellen van het milieu. Het 'duurzaam' slaat dus op het milieu, niet op het gebouw! De doelstelling is dus niet bouwen voor tweehonderd jaar, maar de economische en technische levensduur zo milieu-efficiënt mogelijk op elkaar aanpassen. Logisch, elementair zult u denken. Maar tot voor kort realiseerden weinigen zich dit. Het XX-concept vroeg wel eerst een totale omslag van het denken. Deze omslag en de verwezenlijking daarvan, met het XX-kantoor als voorbeeld, is het ware belang van dit verhaal.

Is het XX-kantoor nu een voorbeeld van de weggooimaatschappij? Niets is minder waar. De tijd dat de gebruikte materialen elkaar 'ontmoeten' in het XX-kantoor is kort, slechts twintig jaar. Maar voor die materialen gaat het leven verder. Niet weggooien, maar óf hergebruik óf het teruggeven aan de natuur is dan het lot van deze materialen. Dit te realiseren vroeg alle creativiteit, kennis en inzet van het XX-team. Allen speelden daarin een essentiële rol. Technici, leveranciers, onderzoekers, architect en opdrachtgever vervulden hun taak met verve. De Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) maakte het onderzoek mede mogelijk. Over het resultaat van hun werk, hoe dat bereikt werd en wat de gevolgen voor onze (bebouwde) toekomst kunnen zijn, leest u in dit boek.

[top] --------- [inhoudsopgave]

Hoofdstuk 1
Gebouwen, eeuwig veranderlijk


Monumenten Staand op het Binnenhof in Den Haag ontrolt zich voor ons het tafereel dat we van Prinsjesdag zo goed kennen. De Ridderzaal, omgeven door de eeuwenoude gebouwen van de Eerste en Tweede Kamer, vormt op die dag het decor en benadrukt de continuïteit van het staatsbestel. De Ridderzaal speelt de hoofdrol. Gebouwd rond 1280 functioneert de zaal op deze hoogtijdag nog steeds, al 700 jaar lang, als middelpunt van de natie. Een pracht voorbeeld dus van duurzaam bouwen zou je denken, 'voor de eeuwigheid gebouwd', maar het ligt iets genuanceerder.
De Ridderzaal dateert inderdaad uit de dertiende eeuw, maar heeft wel het een en ander meegemaakt. Al in de vijftiende eeuw verloor zij haar oorspronkelijke functie; ruimte bieden aan bijeenkomsten van de vorst en de adel. Tot aan het einde van de negentiende eeuw werd de zaal gebruikt als boekenmarkt, archiefruimte, loterijzaal en wat dies meer zij. Het gebouw werd ingepakt met een dikke laag aan bebouwing en was zelf nauwelijks meer te zien. Rond 1870 was het droevig met de zaal gesteld en stond zij op instorten. Velen wensten sloop en het heeft niet veel gescheeld. Slechts door een uiterste inspanning van Victor De Stuers en de zijnen is de zaal behouden gebleven. Hij benadrukte, in een fantastische pr-actie 'avant la lettre', de historische waarde van de zaal als symbool van de Nederlandse natie. In die jaren van groeiend besef van de natie als staatkundige eenheid was dat een argument dat hout sneed. Het was immers het tijdperk van de 'uitvinding' van de traditie. Na een aantal zeer ingrijpende restauraties, sommige meer verantwoord dan andere, staat de zaal er nu weer schijnbaar bij zoals ze gebouwd is. Maar ... het dak dateert, inclusief balken,van begin deze eeuw (red.20e). Het bordes is een verzinsel van eind vorige eeuw (red.19e) en de buitenkant, vooral de zijmuren, zijn zoals men rond 1880 dacht 'dat het wel eens geweest zou kunnen zijn'.


Links de Ridderzaal in 1694 (door Joshua de Grave), rechts in 2005 (foto Leo Hooijmans)

De Ridderzaal is behouden gebleven, uit historisch en architectonisch oogpunt een verantwoorde keuze. Maar slechts als de symbolische waarde zo groot is als hier, heeft een gebouw kans zolang te overleven. De functionele, dus economische veroudering van gebouwen slaat immers steeds sneller toe. Vroeger dateerde een monument, met stads- of rijksbescherming, meestal van ver voor 1800. Het jaar 1840 was de uiterste grens. De afgelopen jaren zijn ook de monumenten tot 1940 getraceerd en beschermd in het kader van het Monumenten Inventarisatie Plan (MIP). Ook dat is een teken dat de veroudering steeds sneller verloopt en gebouwen het gevaar lopen al jong te verdwijnen. Slechts een heel enkele maal is het andersom, dan is de 'sociale' levensduur van een gebouw langer dan de technische levensduur: de bouwkeet van de architect Oud heeft het slechts een jaartje volgehouden maar wordt nog immer gemist. In Rotterdam worden nu zelfs al de bouwproducten uit de jaren vijftig, de periode van de opbouw, geïnventariseerd omdat zij in de Rotterdamse binnenstad met haar hoge grondprijs en grote economische activiteit niet meer renderen. Het gaat hier om allerlei soorten gebouwen maar toch veelal om kantoren. Net als in Rotterdam is deze tendens ook internationaal te zien. De stichting DOCOMOMO (DOcumentation and COnservation of the MOdern MOvement) heeft wereldwijd de taak op zich genomen na-oorlogse architectuur te inventariseren en te beschermen.

Het kantoor verovert de arbeidsmarkt
Het woord kantoor stamt af van het Franse 'comptoir'; letterlijk de plek waar werd geteld, de boekhouding werd gevoerd. Het Franse werkwoord compter betekent tellen, rekenen. Een comptoir had vroeger de betekenis van tafel waarop het geld wordt geteld. Het waren dan ook beroepsgroepen als handelaren, geldwisselaren, lombarden en notarissen die het eerst behoefte hadden aan kantoorruimte. Zij hadden veel met geld van doen en voerden daarover vanzelfsprekend een administratie. Het ambtenarenapparaat van de overheid krijgt pas na 1800 enige omvang. Slechts enkele Haagse ministeries hadden voor 1850 meer dan honderd ambtenaren in dienst. Bedrijven krijgen veelal pas behoefte aan kantoorruimte als de komst van de industriële revolutie -in Nederland na 1870 hen dwingt uitgebreide en moderne administraties op te zetten. Deze kantoren waren echter nog voornamelijk onderdeel van het bedrijfsgebouw zelf. Een kantoorgebouw met enkel kantooractiviteiten, een kantoorgebouw 'sec', was weer een volgende ontwikkeling. Met de komst of uitbouw van grote centrale instanties en ondernemingen en de steeds verdergaande specialisatie van werkzaamheden was een groeiende administratie nodig om grip op de activiteiten te houden. Overheidsdiensten, spoorwegbedrijven en verzekeringsmaatschappijen zijn prima voorbeelden van bedrijven die toen al grote administraties opbouwden om hun zaakjes op orde te kunnen houden. Na de Eerste Wereldoorlog groeit het aandeel kantoorpersoneel ten opzichte van alle werkenden enorm. In 1910 had circa 5% van de werkende bevolking een betrekking op een kantoor. Was dat in 1930 al gestegen tot 20%, in 1950 werkte reeds 40% van de beroepsbevolking op kantoor. Nu, aan het einde van de 20ste eeuw, vindt rond 70% van de werkenden een baan op kantoor. Een kolossale toename.

Kantoren, ontwikkelingen in vorm en functie
Met een dusdanige toename van de kantorenpopulatie verwacht men nu een enorme vraag naar kantoren. Die is er zeker, maar er is ook leegstand! Voor een gering deel zijn dit gebouwen die pas later als kantoor in gebruik zijn genomen. In de jaren van sterke economische groei zijn vroeger bijvoorbeeld woonhuizen tot kantoor omgesmeed. Deze voldoen vanzelfsprekend niet aan maar de geringste eisen en kwamen het snelst weer op de markt. Deze voorraad is grotendeels verdwenen, veel panden zijn nu weer tot woonhuis, vaak in appartementen omgebouwd. Slechts Amsterdamse grachtenpanden behouden veelal hun functie als kantoor. Niet vanwege hun effectiviteit maar enkel als representatief onderkomen van bedrijven waarvoor dit aspect van het grootste belang is. Maar het voornaamste deel van de voorraad aan leegstaande kantoren wordt gevormd door gebouwen van 25 jaar en ouder. Weliswaar gebouwd als kantoor, voldoen zij in het geheel niet meer aan de eisen en verlangens die de gebruikers van een kantoor vragen. Vaak volgt verbouw en/of herbestemming, vooral nu de laatste twee jaar de kantorenmarkt zeer gespannen is. Maar ondanks die grote vraag en weinig aanbod is sloop steeds vaker de uitkomst. We waren al in Den Haag bij de Ridderzaal. In diezelfde stad zijn in de afgelopen jaren een aantal vrij jonge kantoren alweer gesloopt. Het provinciehuis van Peutz uit het midden van de jaren zestig verdween, het voormalige Ministerie van Onderwijs aan het Smitsplein, bouwjaar circa 1955 is in 1997 (red.) gesloopt. In Amsterdam verdween het, in het gehele land bekende, 'Mausoleum' aan de Wibautstraat, net vijfentwintig jaar oud. Het Transferium, het kantoren-'doorgangshuis' van het Rijk aan de Zwarteweg in Den Haag en gebouwd in 1965, is recent (red. eind jaren '90) zeer ingrijpend omgebouwd tot het nieuwe Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Waarom welk kantoor?
Sommige bedrijven lijken aan hun plaats van vestiging te zijn vastgeklonken. Ze zijn een 'landmark' geworden in de betreffende stad en niemand kan zich voorstellen dat het ooit anders zou kunnen zijn. De verplaatsing van het hoofdkantoor van de 'bekende gloeilampenfabriek uit het zuiden des lands' van Eindhoven naar Amsterdam kwam in Eindhoven dan ook hard aan. Toch neemt de verhuisfrequentie van kantoren toe. In 1992 waren bedrijven in Nederland gemiddeld 14 jaar gevestigd op hun toenmalige adres. De gemiddelde vestigingsduur van bedrijven in het westen van het land lag toen al op 11,4 jaar.
Bedrijven kiezen hun kantoren zorgvuldig uit. Verhuizen is een dure operatie. Exploitanten van onroerend goed gaan evenmin over één nacht ijs. Toch wordt er blijkbaar veel verhuisd, verbouwd, gerenoveerd en gesloopt.
Zeker verklaarbaar; de uitleg volgt. Maar ... ook verantwoord? Laten we daarom bezien welke tendensen de vorm van kantoren zo sterk beïnvloeden


Een kantoorinrichting anno 2003

[top] --------- [inhoudsopgave]

Hoofdstuk 2
Bedrijven kiezen hun kantoor


2.1 De criteria

Bedrijven kiezen hun kantoor op basis van een flink aantal criteria: locatie, grootte, indeling en representativiteit zijn belangrijk; maar ook de kosten, die hieruit voortvloeien. We moeten dan ook op deze criteria letten om te bezien wat kantoren doet verouderen.

De locatie
Bereikbaarheid is hier het sleutelwoord. Het belang van een goede ontsluiting met verkeerswegen, het liefst snelwegen, schat men hoog in. Ook de aanwezigheid van een (hoogwaardige) openbaar vervoerverbinding is belangrijk. Een voorheen oninteressante locatie kan door de komst van een station kantoren aanlokken. De dagelijkse file op de ontsluitingsweg van een kantorenpark kan bedrijven doen besluiten te verkassen. Als dan de parkeergelegenheid ook te wensen overlaat, is het pleit snel beslecht.

De grootte
Bedrijven groeien en krimpen door fusies, overnames, centralisatie en decentralisatie. De overheid beziet haar werkpakket met de vraagstelling: is dit wel een kerntaak? De benodigde omvang van de kantoorruimte wisselt hiermee enorm. Indien een bedrijf lastig of onmogelijk binnen het huidige gebouw van haar vestiging kan krimpen of groeien zal een andere locatie worden gezocht.

De indeling
In menig vooroorlogs kantoor staat een moderne kleine hoog-rendements verwarmingsketel in een hoekje van een reusachtig grote, voormalige kolenkelder te schuilen tegen de ruimte. De kantoortuin was eens het antwoord op alle problemen. Het meest beroemde voorbeeld in Amersfoort (red. , in het midden van de jaren zeventig gebouwd, staat er nog. Maar die mode is allang weer over, de inzichten zijn veranderd. Menig kantoortuin is alweer gesneuveld en ingericht tot een traditioneel cellenkantoor. Moderne bedrijven volgen moderne management-technieken en richten hun organisatie daarop in. Het r3 werken in units, het samenvoegen of juist splitsen van afdelingen vraagt dan om aanpassingen van de indeling van een kantoor. Dat moet dan wel mogelijk zijn. Het 'cellenkantoor', dat wil zeggen een kantoor met een gang in het midden met afzonderlijke kamers erlangs, is het traditionele type. Maar deze indeling geeft ook vele beperkingen.

Representativiteit
Het oog wil ook wat. De representativiteit van een pand is voor menig bedrijf van groot belang. Het is het visitekaartje voor een onderneming, zeker als er veel relaties op kantoor ontvangen worden. Als het pand veroudert en aftakelt, samen met de omgeving, trekken de bedrijven weg.

De informatietechnologie
Aansluiting houden, bijblijven met de zo snel verouderende informatietechnologie, is een must. Kantoorgebouwen die deze wijzigingen niet kunnen opvangen, geen of onvoldoende ruimte hebben voor het trekken van leidingen, waarvan de stroomvoorziening te beperkt is of dat niet is aangesloten op het glasvezel kabelnet vallen snel af. En als dan ook nog de telein de buurt een te kleine capaciteit heeft, is menig bedrijf al vertrokken

Het binnenklimaat
Sick building-syndrome. De term is alweer uit het nieuws verdwenen, maar speelde enige jaren geleden regelmatig op. Lang dachten we -kunstmatig- het klimaat in een gebouw zelf het best te kunnen regelen. Volledig gesloten gebouwen, geen raam kon er open, met klimaatbeheersing waren je van het. Waren... ! Nu is van menig kantoor de vliesgevel al lang weer vervangen. Waar dat niet is gebeurd, zijn de arbeidsprestaties beslist niet optimaal!

Gemeentes willen vooruit
Veel gemeenten houden de financiën op orde met de ontwikkeling van nieuwe locaties. Als de gemeente ook maar ergens een plek langs de snelweg heeft, is een nieuw bedrijvenpark snel geboren. Zo'n locatie krijgt dan alle publicitaire aandacht, goed voor een hoge grondprijs. Voor het imago van bedrijven is het dan goed zich er te vestigen. De oudere bedrijven- en kantorenlocaties worden dan, langzaam verloederend, achtergelaten.


2.2 Het 'comptoir'; de jaren zijn geteld

Onderstaande tabel laat zien hoe snel kantoren al verjongden tussen 1980 en 1992. Hieruit resulteert dan een gemiddelde ouderdom (= levensduur) van de voorraad kantoren in 1992 van circa 34 jaar. Deze cijfers worden nog behoorlijk vervuild door een kleine groep zeer oude gebouwen in de Amsterdamse binnenstad en de negentiende eeuwse Haagse villawijken. De cijfers uit 1992 zijn ondertussen al weer achterhaald. De gemiddelde levensduur ligt nu rond de dertig jaar.

Ouderdom van de bestaande kantorenvoorraad

1980 1992
00-10 jaar oud 23 % 40 %
10-30 jaar oud 27 % 37 %
ouder dan 30 jaar 50 % 23 %

De volgende tabel maakt duideliik dat in het westen van het land waar de ruimtedruk het grootste is en de economische activiteiten het hevigst, de kantoren de kortste levensduur hebben. Te verwachten is dat deze tendens zich ook in de rest van het land gaat manifesteren.

Gemiddelde ouderdom van de kantoren in 1992

Nederland 13,6 jaar
noord 19,2 jaar west 11,4 jaar
oost 17,5 jaar zuid 14,7 jaar


De gevolgen
De SEV heeft in 1994 al een studie verricht naar herbestemming van verouderde kantoren. Het verbouwen tot woningen is dan een mogelijkheid. Ook beleggers zijn zich in toenemende mate bewust van de accelererende tendens van veroudering en handelen daar ook naar. 'Wereldhave, de opdrachtgever tot en eigenaar van het XX-kantoor, stopte rond 1980 met het initiëren van nieuwbouw. Op dat moment van grote leegstand in de kantorenmarkt was dat een zeer verantwoorde beslissing. Maar al snel bleek de veroudering bij de in bezit zijnde kantoren stevig toe te slaan. Wereldhave investeert nu haar middelen voornamelijk in nieuwbouw. Bestaande gebouwen worden alleen nog aangekocht als ze ten hoogste vijf jaar oud zijn. Maar wat te doen met die verouderde kantoren?

[top] --------- [inhoudsopgave]

Hoofdstuk 3
XX: het idee geboren


De zich steeds versnellende levenscyclus is bij kantoren wellicht het meest pregnant, maar doet zich zeker ook voor bij andere typen gebouwen. In de utiliteitsbouw wordt zeer veel hersteld en verbouwd.
Een ieder beseft dat dat niet de meest economische en milieuvriendelijke oplossingen zijn. Het is een algemeen vraagstuk in de bouwwereld. Er is dan ook gezocht en van alles gepoogd om oplossingen te vinden.

Flexibel bouwen
In de woningbouw is behoorlijk veel geëxperimenteerd met flexibel bouwen. Opzet is dan een woning zó te bouwen dat later, als bijvoorbeeld de gezinssamenstelling is veranderd, de woning makkelijk aan de nieuwe wensen van de bewoners kan worden aangepast. Vooral in de sociale woningbouw is menig experiment uitgevoerd, maar het resultaat viel tegen.

Renoveren
Renoveren was ook niet alles. Vooral in de stadsvernieuwing werd dat duidelijk. Allereerst waren de kosten hoog, soms bijna gelijk aan nieuwbouw. Het paste echter in het beleid van 'Bouwen voor de buurt'; toen politiek en maatschappelijk aanvaardbaar. Maar toen bleek dat veel gerenoveerde woningen na tien of vijftien jaar toch niet voldeden en er eigenlijk weer een renovatie nodig was, volgde veelal sloop. In de later op gang gekomen Haagse stadsvernieuwing, zoals in de Schilderswijk, is nieuwbouw nu norm en renovatie hoge uitzondering. Trouwens voor kantoren. maar ook voor andere gebouwen, geldt dat na renovatie toch slechts maar een semi-optimaal gebouw ter beschikking staat. Zelfs indien men een gebouw 'stript' tot op het skelet blijft dat beperkingen geven. Als voorbeeld: grondprijzen stijgen, renoveren is duur en goed economisch rendement is dan alleen nog te bereiken als er meer vloeroppervlakte komt. Dus meer etages. Het skelet moet het maar kunnen dragen!

Demontabel bouwen
Een pracht idee. Stel dat het lukt voortaan minimaal de helft van de bouwproductie in de sfeer van demontabel bouwen te realiseren. Dit vraagt dan na enige tijd enorme centra voor opslag van bouwdelen waarvoor niet direct vraag is. Weiland na weiland volgestapeld met bouwonderdelen van allerlei typen en soorten gebouwen waarnaar in de maatschappij nauwelijks vraag meer is. Stel u voor dat het eerder gelukt was, zouden dan alle kerken van Cuypers nu nog op de schappen rusten?

Duurzaam bouwen
Na de oliecrises en het Rapport van Rome groeide het besef van het belang van het behoud van de natuur. De keten aan levensvormen omvat immers ook de mens. Inmiddels zijn deze inzichten bezonken tot overheidsbeleid.
De nota Duurzaam Bouwen (Ministerie van VROM, 1990) werd opgevolgd door wet- en regelgeving. Ook voor de bouw heeft dit zijn gevolgen. Duurzaam Bouwen is het rijksbeleid dat er naar streeft opdracht-gevers, architecten en bouwers hun gebouwen zo te laten realiseren dat het milieu er de minste schade van ondervindt. Dit wordt gerekend over de gehele levenscyclus van het gebouw. Het vervaardigen van de bouwstenen,de energierekening tijdens de bewoning en de stortkosten bij het slopen horen er allemaal bij. Toen Duurzaam Bouwen steeds meer door de overheid geëist werd, kwam er een veelheid van studies naar duurzaam bouwmateriaal. Het streven was materialen een langer leven mee te geven. Bouwen voor 'de eeuwigheid' is overdreven, maar een technische levensduur van minimaal honderd jaar werd haalbaar geacht. Maar hoe strookt dit dan met die steeds afnemende economische levensduur?

Tradities
Soms liggen dingen voor de hand, maar niemand die het ziet. De bouwwereld is traditioneel. Niet helemaal ten onrechte, materialen en bouwwijzen dienen zich bewezen te hebben. De belangen in mensenlevens en geld zijn te groot voor wilde experimenten. Niet voor niets zijn de bouwvoorschriften streng, Maar soms verhinderen deze omstandigheden het de vele research, die in de technische universiteiten wordt gedaan, ook in de praktijk te toetsen. Veel onderzoek blijft daardoor op de plank liggen. En de enigen die de schakel zouden kunnen vormen tussen onderzoek en praktijk, de architecten, staan onder druk. Hun rol wordt door sommigen steeds verder gemarginaliseerd.

Booosting
Het initiatief tot het oprichten van de Stichting Industrieel Bouwen Nederland (Booosting) is in 1988 genomen door een aantal architecten die nauwer met de industrie wilden samenwerken bij innovatie van bouwmaterialen. Vanaf de oprichting waren dan ook zowel architecten, onderzoekers als producenten lid van Booosting. De voornaamste doelstelling van Booosting is het bevorderen van het ontwerpen, ontwikkelen, onderzoeken en toepassen van industrieel te vervaardigen bouwproducten en gebouwdelen, ter verhoging van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.
Het is daarom niet verwonderlijk dat leden van Booosting duurzaam bouwen zowel omarmden als kritisch benaderden. Omarmen vanwege de doelstelling, kritisch benaderden vanwege de vertaling, de uitvoering van die doelstelling als bouwen voor de eeuwigheid. Het moest toch anders kunnen!

XX: het idee geboren
Jouke Post, mede-directeur van Post Ter Avest Architecten en voorzitter van Booosting, begon zijn carrière eind jaren zeventig. Veel opdrachten in deze periode bestonden uit renovaties in de Rotterdamse stadsvernieuwing. Daarna volgden andersoortige opdrachten, waarbij ook weer renovaties een flink deel van het werkpakket vormden. Mooi al dat werk voor zo'n bureau, maar het gaf wel te denken of het nu niet anders kon. Het kwartje viel bij Jouke Post op de terugweg van een weekeind brainstormen over duurzaam bouwen.
Als de economische levensduur van een, gebouw niet strookt met de technische levensduur, moet de technische levensduur worden aangepast aan die economische levensduur! Simpel, maar hoe geef je zoiets handen en voeten?

[top] --------- [inhoudsopgave]

Intermezzo 1
Interview prof. ir. J.M. Post


Jouke Post is mede-directeur van XX architecten, de zojuist gevormde combinatie van Post Ter Avest Architecten en Jan Associates.
Post Ter Avest Architecten is in 1979 opgericht. Jouke Post is hoogleraar bouwtechniek aan de TU Eindhoven. Hij is tevens voorzitter van Booosting. XX architecten is gevestigd in het XX-kantoor in het Delftech Bedrijvenpark te Delft.


Jouke Post voor het XX-kantoor

Verbouwen
Mijn bureau begon ermee. Vrij kort nadat ik mijn eigen bureau had opgericht kreeg ik flink wat opdrachten in de Rotterdamse stadsvernieuwing die toen goed op gang was gekomen. Verbouwen was het wat veelal de klok sloeg. En één van de eerste echt gigantische klussen die mijn bureau binnenhaalde was de vernieuwing, 'up-grading', verbouwing -het is maar hoe ie het noemen wilt- van het sportcomplex Houtrust in Den Haag. Dit in de jaren dertig gebouwde tentoonstellings complex hebben we omgebouwd tot een topsport accommodatie.
Natuurlijk is verbouwen vaak zinvol, alhoewel er soms verbouwingen plaatsvinden die meer op sentiment dan op logica zijn gebaseerd. Mijn opvattingen als architect zijn gestoeld op het functionalisme. 'Form follows function' is wellicht te sterk uitgedrukt, maar een gebouw zet je niet neer voor de lol, als een 'folly'. Kern is de functie die het gebouw heeft te vervullen. En als je dan zo bezig bent met al die gebouwen die hun oorspronkelijke functie kwijt zijn, zoals Houtrust de tentoonstellingen, vraagje je af is het wel efficiënt al die gebouwen eindeloos om te vormen voor een nieuwe functie. En ... ideaal wordt het nooit, het blijft op zijn best een mooi compromis.

Verantwoord ontwerpen
Verantwoord ontwerpen betekende altijd al, naast functionaliteit, kwaliteit van architectonische en stedebouwkundige vormgeving. Maar sinds het Rapport van Rome, de start van het bewustwordingsproces van de kwetsbaarheid van de natuur en dus van de mens, is de aandacht en het belang van milieubewust bouwen alleen maar gegroeid. In het begin richtte die aandacht zich vooral op energiezuinig bouwen. Isolatiepakketten en zonnepanelen zijn de bekendste voorbeelden. De energiecrises en de autoloze zondagen hebben hun effect in dat opzicht zeker gehad. Nu is die aandacht breder; energie, gebruik en materialen krijgen alle hun aandacht. Het is nu ook rijksbeleid en veel gemeenten eisen duurzaam bouwen. Vanzelfsprekend heeft ons bureau deze zaken ook hoog in haar vaandel staan. Juist door inzet van moderne materialen kun je goede resultaten bereiken. Maar toch ... het bleef knagen al dat verbouwen. En de algemene tendens was en is toch juist , opgevat als langdurig: bouwen voor de eeuwigheid!

Krom denken
Toch is op deze manier duurzaam bouwen onlogisch. Vooral in de utiliteitsbouw, ook een flink onderdeel van ons werkpakket, is het de laatste jaren hard gegaan. De economische levensduur van een kantoor loopt snel terug. Vroeger bouwde men van die prachtige hoofdkantoren voor bedrijven. Kolossaal imposante, neo-dit of neo-dat gevels met de naam voor eeuwig in het fronton gebeiteld. Dat soort kanroren zie je nog wel eens, maar het oorspronkelijke bedrijf is weg, het gebouw dient totaal ergens anders voor, is vier maal verbouwd, maar de oorspronkelijke naam staat nog steeds op de gevel. De organisatie van administraties, de bereikbaarheid, de idee hoe een kantoorgebouw het meest efficiënt kan worden ingedeeld, dat alles verandert nu per decennium. Het zat me maar niet lekker dat duurzaam, lees langdurig bouwen.

Alles op zijn kop
Dat weekend had ik in een studiegroep 'op de hei' meegedacht hoe aan duurzaam bouwen vorm te geven was. Het speelde zich een jaar of vier, vijf geleden af. Lang, langer, langst was de insteek. Als we maar flexibel konden bouwen en konden anticiperen op de vraag van de gebruikers. Ja dan was het technisch toch mogelijk gebouwen voor tweehonderd jaar neer te zetten. Na afloop reed ik naar huis en, midden in het Groene Hart, komt zo'n idee zo maar op. Je zit er al over door te denken voor je het weet. Wat is immers logischer; als het zo lastig is de economische levensduur aan te passen aan de technische levensduur, dan pas je de technische levensduur toch aan de economische levensduur aan? Simpel toch!

XX groeit
Eerst dacht ik dat het mogelijk zou zijn om de bouwmaterialen voor een kantoor zo te kiezen dat alles na twintig jaar 'op' was. Alle materialen zouden tot stof vervallen. Maar dat bleek te simpel, het gebouw moet wel twintig jaar goed te gebruiken zijn. Alleen in een sprookje lukt het een gebouw precies na twintig maal 365 dagen uiteen te laten vallen. Maar we hebben toch heel veel bereikt. Het was fantastisch dat Gijs Verweij en ik elkaar troffen. En met een oproep aan de Booosting-leden waren de andere participanten zo binnen gehaald. De SEV deed mee en de Novem werd enthousiast. De idee kon werkelijkheid worden. Juist omdat er uitzicht was op realisatie van het gebouw was het team super gemotiveerd. We hebben kans gehad alle onderdelen aandacht te geven. Niet alles is gelukt, maar voor 90% ben ik tevreden.

XX architecten
Ondertussen is Post Ter Avest Architecten gefuseerd met Jan Brouwer Associates tot XX architecten. XX is een geuzennaam geworden en XX architecten is sinds kort zelf in een deel van het XX-kantoor gevestigd. Fantastisch om nu zelf mee te kunnen maken hoe het dit gebouw vergaat! En vanzelfsprekend gaan we verder met het XX-concept. Andere partijen zullen inzien dat bouwen volgens het XX-concept beter is voor het milieu en beter voor de bouwwereld, dan voor tweehonderd jaar een utiliteitsgebouw neer te zetten. XX heeft de toekomst.

[top] --------- [inhoudsopgave]

Hoofdstuk 4
Het team aan de slag


4.1 Het team

Om alle benodigde kennis, kunde en ervaring in het team te verzamelen, werd een beroep gedaan op het netwerk van de stichting Booosting. Er werd gezocht naar architecten, universiteiten, ingenieursbureaus, bedrijven en instituten. Binnen verbazend korte tijd lukte het een volwaardig team, dat van alle markten thuis was, samen te stellen enkon men aan de slag.

Opdrachtgever
ing. G.CJ. Verweij, Wereldhave N.V.
Architect
prof. ir. J.M. Post, XX architecten (PostTer Avest)
Universiteit
ir. C. Alberts,TU Delft, faculteit Bouwkunde
prof. ir. F. van Herwijnen, TU Eindhoven (ABT)
prof. ir. P.H.H. Leijendeckers, TU Eindhoven, faculteitBouwkunde
ir. M. Maurer, TU Eindhoven
prof. ir. J. Westra, TU Eindhoven, faculteit Bouwkunde
Ingenieursbureaus
ir. E. Vreedenburgh, Archipel Ontwerpers
Bedrijven
ing. R. Peeters, Rockwool Lapinus B.V.
dhr. B. Rouwenhorst, CVK Kalkzandsteen
Instituten
ing. E.A. Blankestiin, Novem
drs. A.F. Gelinck, SE

4.2 De opgave en haar randvoorwaarden

De centrale opgave voor het team luidde:
'Het zoeken naar bouwmaterialen en technieken die geschikt zijn om een marktconform kantoor met een beperkte levensduur van twintig jaar re realiseren op een dusdanige wijze dat nadien de materialen weer vrijkomen, hergebruikt of gerecycled kunnen worden.'

Deze centrale doelstelling is vervolgens vertaald tot, in volgorde van belangrijkheid, de volgende prioriteiten:
1
--- het materiaal dient na twintig jaar tot stof te vergaan; terug te vallen tot de natuurlijke staat, de ruwe grondstof, óf;
2
--- onderdelen kunnen na twintig jaar, zonder aanpassingen, worden hergebruikt voor vele doeleinden, ó;
3
--- onderdelen kunnen na twintig jaar, met aanpassingen, worden hergebruikt voor specifieke doeleinden, óf;
4
--- het materiaal kan na twintig jaar worden recycled, dat wil zeggen kan volledig gescheiden worden in homogene grondstoffen.

Voor de vormgeving werd het volgende vastgelegd:
5
--- het gebouw moet door haar flexibiliteit en aantrekkelijkheid goed bruikbaar zijn en blijven voor de gebruiker;
6
--- het gebouw dient helder en kwalitatief hoogwaardig van architectuur en detaillering te zijn;
7
--- het gebouw moet marktconform kunnen worden geëxploiteerd; de stortkosten zijn daarbij beslist niet te veronachtzamen;
8
--- het XX-kantoor dient te voldoen aan alle wettelijke veiligheidseisen.

Stortkosten, niet te veronachtzamen
Voor de opdrachtgever waren de te verwachten stortkosten bij sloop een belangrijke overweging om te participeren in het project. De afgelopen jaren is sloop van een gebouw veel kostbaarder geworden. Materialen moeten gescheiden worden aangeboden en de stortkosten nemen snel toe. Zo is pas vrij recent het gevaar van asbest onderkend en zijn daarop de kosten voor verwijdering aanzienlijk gestegen. Het belang van deze stortkosten wordt duidelijk uit de enorme hoeveelheid bouw- en sloopafval die nu al geproduceerd wordt.

Huidige hoeveelheidbouw-en sloopafval per jaar

Bouwafval Sloopafval Totaal
Weg- en waterbouw 1.200.000 ton 2.800.000 ton 4.000.000 ton
Utiliteitsbouw 1.000.000 ton 4.400.000 ton 5.400.000 ton
Woningbouw 1.400.000 ton 1.400.000 ton 2.800.000 ton


Er moet rekening mee worden gehouden dat de sloop van een traditioneel gebouw over enige decennia zeer kostbaar zal zijn. Nu worden de sloopkosten nog maar gedeeltelijk verrekend op de veroorzaker; de overheid subsidieert namelijk een flink deel van de kosten. Te verwachten is dat ook hier het principe 'de vervuiler betaalt' gaat worden toegepast, zodat de sloop van gebouwen voor de eigenaar een durce zaak zal worden.
Dit dringt nu nog langzaam door bij eigenaren en investeerders van gebouwen. Er rekening mee houden, vooral in financieel opzicht, komt nog zeer zelden voor.

Prefab
Een volgende overweging van het team was dat vaklieden in de bouw zeldzaam worden. Prefab is dan een alternatief. Bijkomend voordeel is dat de bouwdelen in betere arbeidsomstandigheden dan op de bouwplaats vervaardigd kunnen worden. De bouwtijd op de kavel zelf is zeer gering geworden, in dit geval acht maanden.


De wijk in aanbouw. Het XX-Kantoor is mooi herkenbaar gemaakt!

Niet het ideale, doch het haalbare
Met al deze voornemens in het achterhoofd stond vanaf het begin van de ontwikkeling van het XX-kantoor voorop dat het hier geen theoretische exercitie betrof. Theoretisch is het wellicht mogelijk om een gebouw zo te ontwerpen dat alle stoffen na twintig jaar weer 'terugvallen' in de natuurlijke staat. In de praktijk zal zo'n uitkomst pas na zeer langdurige studie en veel inspanning te bereiken zijn. Het is dan ook de vraag of men de maatschappelijke doelstelling wel bereikt, namelijk een marktconform, milieuvriendelijk gebouw realiseren. Marktconform is dan wel erg ver achter de horizon verdwenen. Maar minstens zo belangrijk is dat er is nu een acuut probleem gerezen is. Er dient binnen redelijke tijd een oplossing geboden te worden. Deze insteek heeft het team niet verhinderd fundamenteel over alle elementen en aspecten van het gebouw na te denken. Waar mogelijk is gebruik gemaakt van nieuwe combinaties van technieken en constructies. Hoe die zoektocht in tien bijeenkomsten, vanaf de zomer 1997 tot voorjaar 1998, verliep wordt verhaald aan de hand van een aantal voorbeelden.


4.3 De zoektocht

4.3.1 Kantoorconcepten
Opzet was het gebouw zó te ontwerpen dat elk type kantoorinrichting mogelijk zou zijn, of dat nu een cellenkantoor of een kantoortuin is. Op basis hiervan werd het ontwerp gestart. Gepoogd werd een 'grootste gemene deler' te vinden van alle typen kantoor waarop het ontwerp van het XX-kantoor geënt zou kunnen worden. Maar... bij verdere inventarisatie van nu in gebruik zijnde inrichtingsvormen van kantoren, stuitte het team op steeds weer nieuwe concepten. Zo kwam er op de lijst te staan:
- just in time-office;
- cocon-kantoor;
- mobiel kantoor;
- wisselwerkplekken;
- werkcoupés;
- flexibel kantoor;
- klooster kantoor; - office als marketplace;
- landing sites;
- multi zones.
Duidelijk was dat dit alles niet te combineren was en bovendien bestormen elke dag nieuwe concepten de markt. Hierop besloot het XX-team haar eigen plan te trekken.




4.3.2 Levensduur van bouwmaterialen

Opzet van alle materialen, alle onderdelen van het gebouw na twintig jaar aan het einde van hun gebruiksduur waren. Al snel bleek dit een onmogelijke zaak. Voor sommige onderdelen van het gebouw was het niet mogelijk materialen te vinden die aan deze eis voldeden.
Het zou de ontwikkeling van een geheel nieuwe range van producten, vergen; nunog te veel gevraagd voor de ontwikkeling van een enkel prototype XX-kantoor.Wel is het mogelijk gebleken om materialen toe te passen die uiteindelijk aan één van de vier prioriteiten voldoen. Geen gemakkelijke opgave, gezien de zeer uiteenlopende levensduur van bouwproducten.

Levensduur van materialen zoals toegepast in traditionele kantoren

baksteen 75 jaar beton lekdorpel 75 jaar
prefab beton 75 jaar metalen kozijn 50 jaar
gestort beton 75 jaar houten kozijn 25-75 jaar
staal 75 jaar kunststof kozijn 40 jaar
leien 75 jaar kit 15 jaar
staalplaat 50 jaar isolatie 75 jaar
polystyrenen 25 jaar enkel glas 75 jaar
aluminium 40-60 jaar dubbel glas 25 jaar
bitumen 25 jaar zonwerend glas 15 jaar
bitumen-weefsel 25 jaar draadglas 60 jaar
plastic folie 25 jaar systeem plafond 10-50 jaar
aluminium 40 jaar rooster 25 jaar
leidingkoker 35 jaar
hardsteen vensterbank 60-75 jaar houten klossen 50 jaar


Toch bleek dat er interessante alternatieven beschikbaar waren. Een goed voorbeeld zijn de kartonnen kokers bij de luchtbehandeling en het gelamineerde hout bij de draagconstructie.




4.3.3 De draagconstructie
Eerste opzet was de kolommen van het gebouw van karton te maken, versterkt met leem. Deze materialen vervallen inderdaad na twintig jaar 'tot hun natuurlijke staat'. Het bleek echter dat de kolommen pas voldoende sterkte en stijfheid kregen bij een doorsnede van een meter. Bovendien waren er zeer veel kolommen noodzakelijk; het zou zelfs lastig worden om tussen de kolommen door te lopen! Hierop is het team van dit idee afgestapt en is er naar een alternatief in hout gezocht. Dat werd gevonden in onder hoge druk verlijmd gelamineerd hout. Het houtskelet van het gebouw is op sommige plaatsen gekoppeld aan stalen verbanden. Hier is gekozen voor een zo milieuvriendelijk evenwicht tussen het gebruik van staal en hout. Vanzelfsprekend is er ook gestudeerd op alternatieven als staal en beton, maar hier was geen, in het XX-concept passende, oplossing voorhanden.

4.3.4 De klimaatbeheersing
Veel systemen van klimaatbeheersing zijn door het team onder de loep genomen. Uitgangspunt was vanzelfsprekend een zo laag mogelijk energiegebruik tijdens de levensloop van het gebouw, maar -even vanzelfsprekend- ook het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Zo is gekeken naar de mogelijkheid om ijs als warmte- respectievelijk koudebuffer te benutten. 's Nachts zou er ijs worden gemaakt en met de warmte die daarmee vrijkomt het gebouw worden verwarmd. Overdag zou het ijs dan weer smelten en het gebouw koelen. Maar er was wel een erg grote buffervoorraad ijs nodig om dit te bewerkstelligen.

Het is in bouwwereld niet gebruikelijk dat de installatie wordt hergebruikt. Installaties specifiek ontworpen voor een bepaalde levensloop -hier twintig jaar- zijn er niet. De fabrikanten van installaties hebben hun aandacht de afgelopen jaren vooral gericht op het vervaardigen van energiezuinige installaties die een zo gering mogelijke uitstoot van schadelijke stoffen produceren. Maar naar de materialen waarvan de installatie zelf is vervaardigd is de aandacht nog niet uitgegaan. Er is tevergeefs gepoogd om fabrikanten zover te krijgen dat zij de traditionele gegalvaniseerde omkasting van hun installaties vervingen door meer milieuvriendelijke materialen. Wel is er uiteindelijk door het team -als voorbeeld en om ervaring op te doen- voor gekozen de luchtafvoerkanalen van karton te vervaardigen. Na twintig jaar is dit materiaal 'op' en simpel weer tot ruwe grondstof terug te brengen. De verbindingen en de ventielen zijn nog conventioneel uitgevoerd.
Opzet was dat de Verosol-doeken, die achter het glas als een klimaatraam gingen functioneren, in doorzichtbaarheid zouden verlopen van ondoorzichtig tor praktisch totaal doorzichtig. Deze uitvoering bleek weeftechnisch nu nog niet productierijp te zijn. Vervolgens is de mogelijkheid beproefd twee doeken van verschillende doorzichtbaarheid achter elkaar te plaatsen zodat vier combinaties mogelijk waren: geen doek, doek één, doek twee en doek één plus twee. Uiteindelijk bleek deze uitvoering installatie-technisch niet te voldoen. De definitieve uitvoering wordt in paragraaf 5.3 uiteengezet.
Al met al een goed voorbeeld hoe de werkgroep heeft gestreefd naar het optimaal haalbare.

Een deel van het XX-team
Boven vlnr:
Pierre Leijendeckers, Luc Kunst,
Gijs Verweij, Sander Gelinck, Frans van Herwijnen
Onder vlnr:
Mark Maurer, Cees Alberts, Brigitte Duffhaus
Foto: Jouke Post

[top] --------- [inhoudsopgave]

Hoofdstuk 5
Het XX-kantoor: haar verschijningsvorm


5.1 Ligging en indeling

Het XX-kantoor is gerealiseerd in het Delftech Bedrijvenpark. Het is een 'science'-park aan de zuidkant van Delft, in de zogenaamde TU-wijk. De gemeente Delft realiseert hier hoogwaardige werkgelegenheid met kennisintensieve bedrijven die in een wisselwerking met de TU Delft hier 'spin off' kunnen leveren. Dit naar voorbeeld van vele dergelijke geslaagde projecten in het buitenland. Op de trapeziumvormige kavel ligt het XX-kantoor oost-west georiënteerd. Het is rondom toegankelijk en op het terrein zijn circa 45 parkeerplaatsen en een fietsenstalling aanwezig. Aan de voorzijde van het gebouw ligt een groenstrook en voert een hellingbaan naar de glazen entree. Het gebouw is goed bereikbaar met particulier en openbaar vervoer.

Het XX-kantoor telt twee lagen en is 66 meter lang en 15 meter breed.
De entree ligt in het midden van het gebouw met het trappenhuis en de lift. Op de etage ligt boven de entreehal de ruimte voor de installaties. Het gebouw bestaat uit vier kantoorruimtes, met elk op de koppen van het gebouw een toilettengroep, pantry en noodtrappenhuis. De kantoorruimtes zijn naar wens vrij indeelbaar.



Langsdoorsnede van het XX-gebouw


5.2 Fundering, draagconstructie, vloeren en dak

Fundering
Het gebouw is gefundeerd op prefab betonnen palen. De palen zijn mede samengesteld uit puin-granulaat, dat wil zeggen dat oud beton is vergruizeld en in het materiaal verwerkt. De palen zijn gestort met gebruik van milieuvriendelijke bekistingsolie.De palenkunnen uit de grond worden getrokken voor hergebruik.

Draagconstructie
De kolommen van het gebouw zijn vervaardigd van Swedlam; gelamineerd hout samengesteld onder grote persing. Dit hout wordt hier voor het eerst in Nederland toegepast. Hout heeft van nature vooral sterkte in ´eén richting. Door hout in dunne lagen om en om op elkaar te leggen, krijgt het materiaal voldoende sterkte in alle richtingen. Door dit nog eens onder hoge druk te doen neemt de sterkte nog verder toe; bepaalde stoffen die van nature in het hout voorkomen fungeren dan als bindmiddel. De kolommen zijn demontabel en te hergebruiken. De gebruikte houtsoort is vuren. De kolommen die de verdiepingsvloer dragen zijn 30 x 3o centimeter. De kolommen tussen de verdiepingsvloer en het dak zijn 20 x 20 centimeter. Het hout is niet gecoat, maar afgewerkt met een blanke lak die schitterend de nerven van het hout toont. De liggers van de draagconstructie zijn eveneens van Swedlam, te demonteren en te hergebruiken.

Vloeren en dak
De vloer van de begane grond is samengesteld uit prefab betonelementen in de vorm van kanaalplaten. Ook hier is puingranulaat verwerkt. Tegen de onderzijde van de vloer is mechanisch, dus verwijderbaar, een millimeter dik warmte-isolatiepakket van 150 millimeter dik warmte-isolatie van steenwol bevestigd. Over de kanaalplaten heen is, losliggend en dus verwijderbaar, een anhydrietvloer gegoten; dit is een uitstekende ondergrond voor de rubber tegels,vervaardigd uit gerecycled elektriciteitsdraad.


De demontabele houten kolommen en hout en staal voor de staalconstructie.

De tussenvloer bestaat uit prefab houten vloerelementen. De onderlaag, het plafond van de begane grond, is gemaakt van underlayment, een soort multiplex. Daarop zijn meerdere balkjes bevestigd, die het vloerelement, het frame, samenhang geven. De bovenzijde van het element is van natur-o-span, een natuurvriendelijke spaanplaat en meteen de ondergrond voor de verdere vloerafwerking. Tussen de balkjes zit schoon zand, wat massa geeft voor een ruim voldoende geluidsisolatie. Het zand is wel van de houten delen met folie gescheiden omdat zand nat kan worden en dan het hout kan aantasten. Het dak tenslotte is samengesteld van Durisol-mevrietplaten. Het is een zeer licht materiaal en heeft zeer goede akoestische eigenschappen. Dit heeft als voordeel dat er geen systeemplafond nodig is. Een pakket steenwol van 150 millimeter dik levert de benodigde isolatie. De dakbedekking is van Derbygum. Dit materiaal is los gelegd en de leverancier heeft een terugname-garantie verstrekt. Op het dak liggen trottoirtegels waarin, vanuit de lucht gezien,twee grote XX'en zijn gelegd.

Ten behoeve van de stabiliteit van het gebouw is onder de tussenvloer en onder het dak een stalen onderspanning gemonteerd.
De trappen in het gebouw zijn eveneens van Swedlam vervaardigd. De vloer van de entreehal is met zwart granieten tegels belegd. Tenslotte zijn in het gebouw op enkele plaatsen windverbanden aangebracht.


5.3 Klimaatbeheersing en de gevel

De warmte die de zon, mens en apparatuur uitstralen is in veel kantoren teveel voor een behaaglijk binnenklimaat. Het XX-kantoor daarentegen, is in het gebruik een buitengewoon energievriendelijk gebouw.
Bii zeer hoge of zeer lage buitentemperaturen is slechts beperkte koeling of bijverwarming noodzakelijk. Slechts 38% van de energie die bij het referentiegebouw (zie hoofdstuk 6) nodig is, is voor het XX-kantoor noodzakelijk. Toch geen slecht resultaat! Hoe werkt dit systeem?

De warmtebronnen
De belangrijkste bron van warmte voor het XX-kantoor is de zon. Ook bij het bekende Nederlandse klimaat met haar vele grijze dagen, geeft het licht dat op de ruiten valt een behoorlijke hoeveelheid energie af. Maar ook in het kantoor zelf zijn 'warmteproducenten' aan het werk: mensen, computers, printers en verlichting geven allemaal warmte af. Maar: zijn er niet teveel of juist te weinig warmteproducenten; wat te doen als het te warm of te koud wordt; de zon schijnt naar binnen en geeft daar haar warmte af, maar de gevel is optimaal geïsoleerd; hoe werkt dat?

De eisen en de omstandigheden
Om de vraag 'is dat wel voldoende' te kunnen beantwoorden, is eerst te bezien wat hier verstaan wordt onder 'voldoende'. Voldoende betekent hier een aangenaam werkklimaat van circa 20 - 22 graden. Dat 'circa' vraagt wel om uitleg. Het gebouw staat er om mensen een zo goed mogelijke arbeidsprestatie te kunnen laten leveren. En mensen verschillen in hun behoefte aan warmte. Bovendien verschilt per mens die behoefte ook nog naar gelang de tijd van de dag en het seizoen. Een ideale standaard-temperatuur is er dus niet. Bovendien wijst studie naar het sick building-syndrome uit dat het behaaglijkheidsgevoel van mensen mede wordt bepaald door de mate van invloed die het individu op de omgevingstemperatuur kan uitoefenen. Stellen dat er overdag bij een matig zonnetje prettig gewerkt moet tot dertig graden oplopen. En ook dan moet het worden is iets te simpel. Ook 's winters wordt er's avonds wel eens door één persoon met één pc doorgewerkt. In de zomer kan de buitentemperatuur tot dertig graden oplopen. En ook dan moet het behaaglijk zijn.
Tenslotte dien het XX-kantoor ook qua inrichting flexibel te zijn. Het plaatsen van tussenwanden, zodat bijvoorbeeld aparte kantoorruimten aan de noordzijde van het gebouw ontstaan, moet mogelijk zijn. Kortom, geen simpele opgave.


Een aangenaam werkklimaat gedurende het hele jaar
K = Koeling, W = Warmte, V = Ventilatie

Glas, bijzonder materiaal
Wel warmte erin, maar niet eruit. Een wonderlijke tegenstelling doch bij glas een schijnbare tegenstelling. Glas heeft namelijk de bijzondere eigenschap dat het sommige 'vormen' van straling beter tegen houdt dan andere. Anders gezegd, energie in de vorm van licht dringt makkelijker door glas heen dan energie in de vorm van warmte. De korte golf van het licht van de zon kan vrijelijk door het glas heendringen. Pas als het materialen raakt wordt de lichtenergie omgezet in warmte. De lange golven van de warmte, het infrarood, worden door het glas tegengehouden en blijven zo in het gebouw. Van deze eigenschap is bij het XX-kantoor volop gebruik gemaakt. De gevels zijn immers bijna volledig van glas opgetrokken


De glasgevel; driedubbeldik

De uitvoering
De gevel van het gebouw is samengesteld uit driedubbel glas (Climatop).
De 2 bij 3,5 meter grote glasplaten zijn later gemakkelijk te demonteren en te hergebruiken. Op enige afstand van het glas is nu een oprolbare (geweven) jaloezie 'silhouette' gehangen. Deze jaloezie bestaat uit geweven horizontale lamellen die aan beide zijden door verticaal doek zijn bevestigd. Daarmee is de hoeveelheid licht en warmte die wordt doorgelaten te variëren.
De lamellen van deze jaloezie, zijn, binnen de cocon van het doek, vanzelfsprekend te kantelen. Al naar de individuele wens van degene die in de onmiddellijke omgeving zijn of haar werkplek heeft. De 'spouw' tussen de jaloezie en het glas wordt permanent afgezogen. Zo wordt zowel de warmte die van buitenkomt, als de warmte die in het kantoor wordt geproduceerd direct bij de gevel weggehaald. In het voor- en najaar is dat klimaattechnisch minder noodzakelijk. De jaloezie kan dan omhoog en er kunnen dan in elk van de vier units twee ramen geopend worden. Zo kan men ook nog de vogeltjes horen!

Het resultaat
Het resultaat is overtuigend. De omvang van de installatie is minimaal. Bijverwarrning is pas nodig als de buitentemperatuur de min 7° C heeft overschreden! De temperatuur van de lucht waarmee het kantoor dan wordt bijverwarmd is maximaal 14° C. Er zijn geen verdere mogelijkheden tot verwarming noodzakelijk en dus evenmin aanwezig. En 's zomers bij tropische temperaturen is het toch goed toeven in het XX-kantoor met maar enkele koelbalken!



Veel glas en verantwoorde architectuur

5.4 Architectuur

Het XX-kantoor toont zich als een heldere glazen doos. Het gebouw toont geen enkele gelijkenis met clichématige 'groene architectuur'. Het gebouw heeft een aangename doorzichtigheid en helderheid van structuur.
Het ontbreken van scheidingswanden levcrt inzicht in de opbouw van en de activiteiten in het pand. De entre, volledig van glas, steekt iets buiten de hoofdmassa uit en geeft gelegenheid hier de 'corporate identity' vorm te geven.
Het handschrift van de architect is duidelijk in het gebouw te herkennen, een bewijs dat het concept de vormgeving niet belemmerd heeft. De combinatie van hout en glas, het tonen van de techniek -er zijn geen plafonds- maakt het gebouw een goed voorbeeld van heldere, strakke, functionalistische architectuur.
De- activiteiten in het gebouw en het gebouw zelf passen uitstekend in de opzet en doelstelling van de omgeving, het Delftech Bedrijvenpark: innovatie van high-tech.

[top] --------- [inhoudsopgave]

Intermezzo 2
Interview ing. Gijs C.J. Verweij


Gijs CJ. Verweii is voorzitter van de directie van Wereldhave N.V. Wereldhave stelt bedrijfs-, kantoor-, winkel- en woonruimte ter beschikking aan huurders. Hiertoe genereert Wereldhave zelf bouwstromen. Het bedrijf bestaat bijna zeventig jaar en heeft onroerend goed ter waarde van ruim 2.500 miljoen in portefeuille. Gijs Verweij nam zelf deel aan het XX-team.

Toeval?
Toeval bestaat niet wil het spreekwoord en dus moet het zo bedoeld zijn geweest toen Gijs Verweij en Jouke Post elkaar enige jaren geleden in de toen spiksplinter nieuwe Arena ontmoetten. 'Voetbal is oorlog' maar aan de zijlijn kan verbroederd worden. Aan elkaar voorgesteld door een gemeenschappelijke relatie, kwamen ze, beiden zeer geïnteresseerd in en betrokken bij nieuwe ontwikkelingen in de bouw, al snel in gesprek. Duurzaam bouwen, multifunctionaliteit, flexibel bouwen en het steeds sneller verouderen van bedrijfsgebouwen waren de topics. Dat duurzaam bouwen, bouwen voor de 'eeuwigheid', niet de oplossing was, daarover waren beiden het gloeiend eens. Maar hoe dan wel? Die avond kwamen ze er niet uit, maar het bleef wel spelen in hun gedachten. Een tijdje later kwamen beide heren elkaar weer tegen. En het gesprek ging verder waar ze de vorige keer gestopt waren!

Gestoeld op ervaring
Een bedrijf als Wereldhave streeft ernaar haar klanten kwaliteit te bieden, kwaliteit aan onroerend goed en kwaliteit aan serviceverlening. En juist die kwaliteitseisen veranderen steeds sneller. Allerlei factoren beïnvloeden die kwaliteit van een kantoorpand; de ligging, de indeling en het energiegebruik zijn daar voorbeelden van. De snelle verandering op deze terreinen maken een kantoorgebouw na twintig jaar al economisch verouderd. Aanpassen kost gelden het gebouw functioneert ook dan niet optimaal. Wereldhave onderkende die trends en had al serieus gestudeerd op de mogelijkheid een aantal van haar bedrijfspanden in België zó te bouwen dat later andersoortig gebruik mogelijk was. Flexibiliteit is echter duur en biedt nooit het optimum. Maar wat dan wel? Sloop? Wereldhave vermoedt dat de regels die de overheid nu al aan sloop stelt in de zeer nabije toekomst nog wel veel strenger kunnen worden. De sloopkosten voor een traditioneel gebouw zouden dan wel eens erg hoog kunnen gaan uitvallen. Als voorbeeld, we zijn ons in zeer korte tijd gaan realiseren hoe gevaarlijk asbest is en het verwijderen daarvan kost nu goud geld. Ook Jouke Post kende dit probleem. En in het gesprek met Gijs Verweij kwam nu de XX-gedachte op tafel.

Het XX-team
Al snel werd er in klein verband gebrainstormd en ontstond het XX-team. Wetenschappers, ontwerpers, technici en leveranciers van bouwproducten namen er aan deel. En ... Gijs Verweij! Zelf van oorsprong technicus en met een grote kennis van de kantorenmarkt vormde hij een schakel tussen praktijk en studie, tussen theorie en het marktmechanisme. Een schakel, want als je het hem vraagt gaat XX niet over technisch vernuft, niet over uitgebalanceerde klimaatbeheersing, niet over driedubbele beglazing en niet over kartonnen kolommen. Of, beter gezegd,het gaat er niet alleen over.
De grootste cultuurschok was te ontdekken wat een team, zoals het XX-team, kan bereiken. En de architect speelt daarin niet de minste rol.

De rol van de architect
Architectuur staat in een toenemende belangstelling, maar de rol van de architect in het bouwproces neemt af. Jan Brouwer, de nieuwe voorzitter van de BNA, (Bond van Nederlandse Architecten) klaagde laatst dat architecten alleen nog maar de voorgevels mogen ontwerpen, de rest is standaardwerk en daar komt geen ontwerper bij te pas. 'Plaatjesmakers' noemt Gijs Verweij architecten die zich in deze rol laten duwen. Dat het anders kan en wat dat oplevert, leerde het XX-team. Plank na plank staat gevuld in de bibliotheken van de Technische Universiteiten met diepgravende, baanbrekende, ja soms revolutionaire studies naar bouwkundige materialen en constructies. Ze staan er te staan en worden helaas zelden of in ieder geval te weinig toegepast. Het is juist de architect die dan als intermediair tussen opdrachtgever, bouwer en gebruiker en met kennis van technische innovaties, al die boekenplanken vol, de bouw verder kan brengen. Juist het marginaliseren van de rol van de architect vraagt om conservatisme in de bouw; dat maakt innoveren moeilijk.

Met de voeten op de grond
Van aanvang aan was Gijs Verweij een belangrijke rol in het team toebedeeld. Hij kreeg van Wereldhave de ruimte dit experiment mede vorm te geven. Zijn eerste insteek was het XX-kantoor te voorzien van een reëel referentiegebouw. De prestaties van het XX-gebouw dienen immers te meten te zijn, moeten vergeleken kunnen worden met een gelijkwaardig gebouw. In België bezit Wereldhave een aantal bedrijfspanden, kantoren van elk circa 2.000 m2, die nu als referentie gingen dienen. Daarmee stond het XX-kantoor al direct met één been in de werkelijkheid, voor een aantal wetenschappers uit de universitaire wereld een ongekende luxe-ervaring. Zo werd direct de toon gezet; het XX-kantoor werd geen theoretische exercitie, maar moest onder marktconforme omstandigheden haar positie waar kunnen maken. Er was zeker voldoende tijd en ruimte voor het fundamenteel doordenken van allerlei aspecten die bij de ontwikkeling van het XX-kantoor naar boven kwamen, maar uiteindelijk moest het XX-kantoor er wel komen. Toen Wereldhave een kavel in het Delftech Bedrijvenpark kocht om daar het XX-kantoor te realiseren, was het team er dan ook klaar voor.

Loonde het?
Het XX-kantoor staat er nu, verhuurd en wel. Maar was het voor Wereldhave, de inspanningen waard? Het belangrijkste was de ervaring; een uitdaging op een geheel andere manier te benaderen. De aanpak vanuit bekende gezichtspunten en met traditionele hulpmiddelen had niet gewerkt. Nu werd het door een omslag in het denken mogelijk de uitdaging om te zetten tot een nuttig resultaat. De samenwerking tussen markt en wetenschap was daarbij cruciaal. Wereldhave heeft ervaren dat haar streven, maatschappelijk verantwoord ondernemen, ook op dit terrein handen en voeten te geven is. Milieubewust bouwen, marktconform en gericht op de toekomst is met het XX-kantoor vorm gegeven Met de ervaringen bij het ontwikkelen van dit gebouw kan nu verder gewerkt worden. Zoals gezegd, ook met de verworven technische inzichten, maar vooral procesmatig; het leren 'omdenken'. Alleen al,die ervaring, daarin een rol te kunnen spelen, maakte XX voor Gijs Verweij zeer de moeite waard.

[top] --------- [inhoudsopgave]

Hoofdstuk 6
Het XX-kantoor, een meetbaar resultaat


6.1 Eco-Quantum, het milieu-meetlint

Die prachtige verhalen over milieuvriendelijkheid van materialen en gebouwen kent u wel. Iedereen schermt ermee; het is een modieus begrip geworden. Het is zelfs usance om deze term bij de presentatie van een nieuw bouwmateriaal of een nieuwbouwproject -achteloos maar juist zo opvallend- te laten vallen.
Maar alle gebouwen even milieuvriendelijk, dat geloofde niemand. Nu bestonden er wel methoden die enigszins konden aanduiden hoe het er met een gebouw of materiaal bijstond. De handleiding Duurzame Woningbouw van de SEV (1993) was er één van. Toch kleefden er nogal wat bezwaren aan deze benadering. Echt grip op de prestaties van een gebouw gaf het niet. Begin jaren negentig werd het dan ook de hoogste tijd die milieuvriendelijkheid meetbaar te maken, daarvoor een nieuw 'meetlint' te ontwikkelen. Eco-Quantum is het resultaat.

Opzet was, op wetenschappelijke wijze onderbouwd, een rekenprogramma te maken waarin alle gegevens van een gebouw konden worden ingevoerd. Daarbij moet vooral gedacht worden aan de materiaalstaten. Resultaat diende te zijn een meetbare, objectieve en betrouwbare kwantificering van de milieubelasting van een gebouw. Zo is in opdracht van de SEV, met het Ministerie van VROM en de Stichting Bouwresearch, het rekenmodel Eco-Quantum ontwikkeld. Eerst is dit programma voor woningbouw ontwikkeld. Het XX-kantoor vormde de aanleiding ook een Eco-Quantum Utiliteitsbouw te ontwikkelen.

Eco-Quantum heeft een doel opdrachtgevers, ontwerpers, bouwbedrijven en de gebruikers/exploitanten van een gebouw vooraf inzicht te kunnen geven in de milieuprestaties van hun gebouw. Op deze wijze zijn -op basis van milieuvriendelijk- ook financiële afwegingen te maken als: geeft de hogere investering in de bouw ook een beter rendement tijdens het gebruik?
Ook biedt de Eco-Quantum de rijksoverheid een richtlijn hoe zij met haar regelgeving, fiscaal- en subsidiebeleid, milieuvriendelijk bouwen kan stimuleren.
Maar het hoofddoel is duidelijk, namelijk het zo milieuvriendelijk mogelijk realiseren van nieuwe gebouwen. Daarmee wordt vorm gegeven aan een belangrijk aspect van duurzaam bouwen.

Om inzicht te krijgen in die milieuvriendelijkheid is het nodig de hele levensloop van een gebouw daarop te toetsen. Maar met het gebouw alleen zijn we er niet. Ook is het van belang te weten hoe materialen voor de bouw vervaardigd worden en van welke grondstoffen, en hoe energie vriendelijk dit alles is. Daarom gaat Eco- Quantum uit van de totale levenscyclus van de materialen waarvan een gebouw is vervaardigd. 'Van wieg tot het graf': vanaf het moment dat de grondstof voor de materialen worden gewonnen tot aan de eindbestemming van het materiaal na de sloop van het gebouw zoals hergebruik of recycling. Ook het energiegebruik wordt verwerkt. En als tijdens de levensloop het gebouw elementen al vervangen moeten worden, wordt ook dat verwerkt. Al deze effecten worden op meerdere criteria gemeten. De tabel hieronder toont welke aspecten in de beoordeling van een gebouw worden 'meegenomen'.

Milieumaat Milieu-effect
Grondstoffen uitputting grondstoffen voor materialen
uitputting brandstoffen
Energieverbruik de benodigde energie gedurende de gehele levensloop van het gebouw
Emissies broeikaseffect
ozonlaag-aantasting
verzuring
vermesting
humane toxiteit
fotochemische smogvorming
Afval minder schadelijk afval
schadelijk afval


6.2 De milieubelasting gemeten
Bii het XX-kantoor is het te doen om een vergelijking met de huidige bouwpraktijk. Het Eco-Quantum programma voor woningbouw was op het moment van de start van het XX-project al in concept gereed. Een Eco-Quantum programma voor utiliteitsgebouwen als kantoren bestond nog niet. Het XX-kantoor vormde de aanleiding tot het ontwerpen van dit programma, door W/E Adviseurs. Het is ook dit bedrijf dat de Eco-Quantum berekeningen voor het XX-kantoor heeft gemaakt.
Eco-Quantum is een vergelijkingsmodel. Het vergelijkt materialen met elkaar. Het vergelijkt een bakstenen XX-gebouw met een houten XX-gebouw. Maar om nu ook de prestaties van het XX-kantoor te kunnen vergelijken met de huidige bouwpraktijk is het essentieel om een 'klassiek' kantoorgebouw als vergelijkingsmateriaal te gebruiken. Daarvoor moet ook zo'n referentiegebouw aan de Eco-Quantum berekening worden onderworpen.

Wereldhave bezit in België op het bedrijvenpark 'Keiberg' bij Zaventem een aantal bedrijfsgebouwen die uitstekend als vergelijking dienst konden doen. Weliswaar is het referentiegebouw kleiner dan het XX-gebouw, 1.500 m2 tegenover 2.000 m2, maar qua structuur, verdiepingshoogte en anderszins goed vergelijkbaar.

Hoe is die vergelijking nu uitgevoerd?
Allereerst is er sprake van een aantal vergelijkingen, nodig omdat de toekomst onvoorspelbaar bliifr. Zo zijn er een aantal scenario's voor wat betreft de lotgevallen van beidegebouwenvoorzien.

a Gelijke levensduur van twintig jaar
Hierbij is het XX-kantoor qua milieuprestaties vergeleken met het referentiegebouw. Voor beide gebouwen wordt een levensduur van twintig jaar verondersteld. Na deze twintig jaar worden beide gebouwen gesloopt, waarna de onderdelen zo mogelijk worden hergebruikt of gerecycled. Belangrijk daarbij is te weten dat het referentiegebouw technisch langer mee kan dan twintig jaar. Maar er wordt hier uitgegaan van economische veroudering. De vergelijking biedt het volgende resultaat:

b Hergebruik: goed, beter, best
Er wordt hier gewerkt met drie scenario's:
1. De standaard-afvalstroom dat wil zeggen conform de huidige praktijk.
2. Hergebruik van veel componenten, bijvoorbeeld 50%"van de heipalen.
3. Ver doorgevoerd, maar bij het XX-kantoor nog immer realistisch hergebruik. Zo wordt bijvoorbeeld 80% van de heipalen opnieuw gebruikt.

Deze vergelijking is relevant daar het XX-kantoor zo is ontworpen dat juist meer onderdelen dan gebruikelijk kunnen worden hergebruikt. De vergelijkingsmaat (100%) is wederom het referentiegebouw.

c Levensduur langer dan twintig jaar
In deze variant wordt uitgegaan van de technische levensduur van beide gebouwen. Voor het XX-kantoor is dat gesteld op dertig jaar. Om deze leeftijd te bereiken moeten er na circa twintig jaar wel delen van het gebouw vervangen worden. Deze nieuwe en te vervangen componenten maken deel uit van de vergelijking. Er is zelfs gekeken welke effecten er optreden indien het XX-kantoor vijftig jaar wordt gehandhaafd, waarbij sommige componenten aldus twee maal vervangen zullen worden.
Voor het referentiegebouw is zestig jaar de technische levensduur. Hierbij is minder sprake van tussentijdse vervanging. Er is tenslotte vanuit gegaan dat beide gebouwen aan het eind van deze cycli niet gesloopt worden.
De tabel hieronder geeft die vergelijking. Daarbij is steeds als maat van 100% gesteld het resultaat van het referentiegebouw bij twintig jaar.


6.3 De huisvestingskosten

6.3.1 De opzet
Niet van het minste belang is de vraag hoe het staat met de huisvestingskosten van het XX-kantoor. Opzet is immers het XX-kantoor marktconform te kunnen exploiteren. Om die huisvestingskosten duidelijk te make is weer een vergelijking gemaakt met het referentiegebouw, op basis van drie kostencomponenten:
a. de gebruikskosten in de beheersfase;
b. de bouw- en verbouwingskosten;
c. het onderhoud
Deze drie componenten gecombineerd gewogen geven de vergelijking tussen het XX-kantoor en het referentiegebouw.
De basis hiervoor is weer de Eco-Quantumberekening.


6.3.2 De berekening
a De gebruikskosten in de beheersfase
Er is hier wederom gekeken naar vier bestandsdelen, te weten grondstoffen, energie, emissies en afval. Voor de gehele levenscyclus bedragen de percentages:
XX-kantoor Referentiegebouw
Grondstoffen 53 % 100 %
Energie 48 % 100 %
Emissies 51 % 100 %
Afval 83 % 100 %

We vergelijken hier echter alleen het onderdeel beheersfase. De vergelijking totale levenscyclus versus beheersfase bedraagt per bestandsdeel en per gebouw:
XX-kantoor Referentiegebouw
Grondstoffen 64 % 88 %
Energie 74 % 94 %
Emissies 50 % 67 %
Afval 12 % 27 %

Beide tabellen moeten nu met elkaar worden gecombineerd om de vergelijking, de reductiefactor, voor de beheersfase op te leveren.

Grondstoffen
XX-kantoor 64 % van 53 % = 34,45
Referentiegebouw 88 % van 100 % = 88
Reductiefactor 34,45/88 = 0.39 oftewel 61 %

Energie
XX-kantoor 74 % van 48 % = 35,50
Referentiegebouw 94 % van 100 % = 94
Reductiefactor 35,5/94 = 0.38 oftewel 62 %

Afval
XX-kantoor 12 % van 83 % = 14,45
Referentiegebouw 27 % van 100 % = 27
Reductiefactor 14,45/27 = 0.535 oftewel 46,5 %

Nu moeten deze percentages nog worden 'gewogen'. Dit levert op:
Grondstoffen 1 x 64 % = 61 %
Energie 3 x 62 % = 186 %
Emissies 3 x 62 % = 186 %
Afval 1 x 46,5 % = 46,5 %
Totaal 479,5 : 8 = 59,94 % reductie

In de beheersfase is het XX-kantoor 59,94 % goedkoper in het gebruik dan het referentiegebouw.

a De bouw- en verbouwingskosten
We gaan uit van een periode van zestig jaar. Dat is gelijk aan een eenmaal de levensloop van het referentiegebouw en driemaal de levensloop van het XX-kantoor.

Referentiegebouw
00-20 jaar Nieuwbouwkosten fl. 2.600 per m2
20-40 jaar Kosten ingrijpende renovatie na 20 jaar fl. 2.600 per m2
40-60 jaar Kosten ingrijpende renovatie na 20 jaar fl. 2.600 per m2
60ste jaar Sloop- en stortkosten fl. 1.000 per m2
Totaal fl. 8.400 per m2

XX-kantoor
00-20 jaar Nieuwbouwkosten fl. 2.233 per m2
20-40 jaar Demontage- & nieuwbouwkosten fl. 2.433 per m2
40-60 jaar Demontage- & nieuwbouwkosten fl. 2.433 per m2
60ste jaar Demontagekosten fl. 0.200 per m2
Totaal fl. 7.299 per m2

De reductie in bouw- en verbouwingskosten bedraagt aldus 7.299/8.400 = 0.869 oftewel 13.1 %.

Bij de vergelijking is de stijging van de stortkosten over die jaren zeer conservatief ingeschat, namelijk van fl. 400,- tot fl. 1.000,- per m2. Te verwachten valt echter dat deze stijging aanzienlijk hoger zal uitpakken.

c. De onderhoudskosten
Tijdens de gebruiksfase van een traditioneel kantoor als het referentiegebouw wordt 3 % van de bouwsom ingecalculeerd voor onderhoud. Oftewel: 3 % van fl 3.000.000,- = fl. 90.000,-
Voor het XX-kantoor is, gezien de opzet van het gebouw (weinig onderhoud) het onderhoud terug te brengen tot 2 % van fl. 4.800.000 = fl. 96.000,0.
Wel dient nu verschil in grootte van het gebouw te worden ingecalculeerd. Het vloeroppervlak van het XX-kantoor is 2.160 m2, het referentiegebouw telt 1.500 m2. De vergelijking is dan:
fl. 96.000,-/(2160/1500 x fl. 90.000,-) = 74 %.

De reductie in de onderhoudskosten bedraagt dus 26 %.


6.3.3 Het resultaat
Om nu de totale reductie van de huiskosten te berekenen, dienen we de drie kostencomponenten te combineren.

Reductie Weegfactor
Gebruikskosten in de beheersfase 59,9 % 5,0
Bouw en verbouwingskosten 13,1 % 1,0
Onderhoudskosten 26,0 % 2,5
Dit levert een gemiddelde reductie van 44,4 %.

De conclusie is dat het XX-kantoor ten opzichte van het referentiegebouw, een klassiek kantoor, in de huisvestingskosten een reductie geeft van 44,4 %


6.4 XX getoetst

Opzet was een kantoorgebouw te ontwerpen waarvan de technische levensduur gelijk is aan de economische levensduur. Daarbij werd die levensduur op twintig jaar gesteld. De vraag is dus of het XX-kantoor inderdaad na twintig jaar 'tot stof zal wederkeren'. Wordt het XX-kantoor inderdaad in de oud-papierbak en glasbak gedeponeerd? Duidelijk is dat zulks niet het geval is.
Is het XX-project dus grandioos mislukt? Niets is minder waar. Terug naar de opgave die het team zichzelf had gesteld:

De opgave
De milieuvriendelijkheid van het materiaal was in vier prioriteiten uitgedrukt:
1 Het materiaal diende na twintig jaar tot stof te vergaan; terug te vallen tot de natuurlijke staat, de ruwe grondstof.
Resultaat: een aantal materialen voldoen hieraan zoals de zandgevulde vloeren en de kartonnen luchtkanalen.

2 Onderdelen kunnen na twintig jaar, zonder aanpassingen, worden hergebruikt voor vele doeleinden.
Resultaat: een aantal materialen voldoen hieraan zoals hout en glas.

3 Onderdelen kunnen na twintig jaar, met aanpassingen,worden hergebruikt voor specifieke doeleinden.
Resultaat: een aantal onderdelen voldoen hieraan zoals de kanaalplaatvloeren en demontabele constructiesystemen.

4 Het materiaal kan na twintig jaar worden gerecycled, dat wil zeggen volledig gescheiden kunnen worden in homogene stoffen.
Resultaat: alle overige materialen in het gebouw voldoen hieraan.

Voor de vormgeving werd het volgende vastgelegd:
5 Het gebouw moet door haar flexibiliteit en aantrekkelijkheid goed bruikbaar zijn en blijven voor de gebruiker.
Resultaat: het gebouw is nu verhuurd aan twee bedrijven met geheel verschillende activiteiten. De beide verdiepingen van het gebouw zijn dan ook totaal verschillend ingericht.

6 Het gebouw dient helder en kwalitatief hoogwaardig van architectuur en detaillering te zijn. Resultaat: een kwestie van smaak, gaat u zelf eens kijken. Hier kan alleen verwezen worden naar her oordeel in de pers en daaruit blijkt dat ook aan deze doelstelling is voldaan.

7 Het gebouw moet marktconform kunnen worden geëxploiteerd.De stortkosten waren daarbij beslist niet te veronachtzamen.
Resultaat: de beide bedrijven die zich nu in het XX-kantoor hebben gevestigd waren hiervoor beslist niet de enige kandidaten. Het XX-kantoor ligt goed in de markt. Dat de prijs marktconform was bleek al in de vorige paragraaf;zelfs als de stijging van de stortkosten zeer conservatief wordt ingeschat.

8 Het XX-kantoor dient te voldoen aan alle werkelijke veiligheidseisen. Resultaat: het XX-kantoor voldoet aan alle wettelijke eisen qua draagkracht, stabiliteit, daglicht toetreding en brandveiligheid.


Het kantoor is flexibel en naar wens in te richten

De energieprestatie
De energie-prestatie-coëfficient (EPC) drukt uit hoe zuinig een gebouw met energie omspringt. Het is niet zomaar een meetlint, maar een wettelijk voorgeschreven normering. Voor nieuw te bouwen kantoren ligt de lat nu op 1,9. Het XX-kantoor doet her veel beter, hier ligt de EPC op 1.0. Dat is zelfs gelijk aan de nieuwsre norm van nieuwbouwwoningen: een type gebouw waar dit makkelijker te bereiken is. Voor een kantoor is dit echter een uitzonderlijk laag getal, oftewel een uitstekende prestatie.

XX-kantoor, letterlijk het voorbeeld?
Wel als concept, maar niet letterlijk! Noch qua vormgeving noch qua materiaalgebruik. Steeds weer nieuwe bouwproducten bestormen elke dag de markt. Zij worden alle in het Eco-Quantum systeem verwerkt. Als morgen een nieuw XX-gebouw van start gaat, zal gebruik van deze producten natuurlijk overwogen worden. Als die producten een technische levensduur hebben die strookt met de economische levensduur van de gebouwen waarin ze worden toegepast, passen zij in het XX-concept. Ook de vormgeving zal zich steeds wijzigen, volgend op de laatste inzichten en wensen van de klant. Kortom het concept, de idee, is het voorbeeld en niet de tijdgebonden uitvoering. Het XX-kantoor is nu niet afgerond, een volgend XX-kantoor of welk XX-gebouw dan ook, zal ongetwijfeld het ideaal dichter benaderen. Het gaat ook niet om deze uitvoering van het XX-kantoor. Het grootste belang ligt in het XX-concept: het gelijktrekken van de technische levensduur aan de economische levensduur. Dit wordt tenslotte nog eens extra onderstreept door het ING-gebouw van Alberts en Huet in Amsterdam. Het was lange tijd het vlaggenschip van het ecologisch bouwen. Het gebouw is nu al ecologisch-technisch verouderd, maar nog lang niet afgeschreven. Het gebouw zal over tien, twintig jaar als een grote energievreter te boek staan.

XX: antwoord op de vraagstelling?
De grote vraag is vanzelfsprekend of het XX-concept, met als voorbeeld het XX-kantoor, nu antwoord geeft op de tendensen die de vorm en plaats van kantoren zo snel doet wijzigen. Het antwoord daarop is volmondig positief. Economisch marktconform geeft het XX-kantoor immers na twintig jaar de mogelijkheid om, geënt op de nieuwste inzichten op allerlei terrein, een nieuw XX-kantoor op te trekken. Maar biedt het XX-concept nu als een panacee (redactie: geneesmiddel tegen alle kwalen) het antwoord op alle uitdagingen?

[top] --------- [inhoudsopgave]

Intermezzo 3
De Nederlandse Bouwprijs



Op 8 februari 1999 is, tijdens de opening van de Internationale Bouwbeurs in de Jaarbeurs te Utrecht, door de staatssecretaris van het Ministerie van VROM, de heer Remkes, de Nederlandse Bouwprijs aan her Project XX toegekend. Het juryrapport vermeldt: “De jury heeft veel waardering voor de visie en filosofie van de opdrachtgever om een kantoor te realiseren voor de tijdelijkheid. Veelal tracht men voor de eeuwigheid te bouwen, maar of dit gelet het milieu een juist uitgangspunt is, wordt door dit ter discussie gesteld. Gebruikers stellen na verloop van tijd andere eisen waardoor het gebouw moet worden aangepast, dan wel geheel geamoveerd. Dan is er sprake van materiaalverspilling. Materialen, en installaties van dit project zijn getoetst aan de doelstelling; minimale milieubelasting met een gelimiteerde levensduur van 20 jaar.”

De prijs werd dit jaar voor de vijfde maal uitgereikt en gaat vergezeld van een sculptuur van Marthe Röhling. Het Centrum Hout had het XX-kantoor voor de prijs voorgedragen


De aansluiting van de gevel op de houten kolommen

[top] --------- [inhoudsopgave]

Hoofdstuk 7
De toekomst en duurzaam bouwen:
XX kritisch bekeken



7.1 Het belang van de opgave

Het belang van het XX-concept is allereerst voor de bouwopgave van de toekomst. Alhoewel de discussie over 'Grenzen aan de groei' en het bewaren van het Groene Hart volop doorgaat, doet ook de bouwproductie dat. De schattingen over de in de nabije toekomst te realiseren hoeveelheid gebouwen wijst dat al uit.

Stuks per jaar
Nieuwbouwwoningen 35.000/50.000
Kwaliteitsverbetering woningen 37.500
Trendmatige sloop woningen 5.000
Sloop t.b.v. Herstructurering 3.500 woningen
Kantoren (markt) 1.100.000 m2 bvo
Rijkshuisvesting:
– nieuwbouw
– herstel en verbouw

10.000/30.000 m2 bvo
03.000/25.000 m2 bvo

Het daarmee gemoeide economisch belang is gigantisch. Alleen al de waarde van de gerealiseerde en te realiseren utiliteitsbouw biedt (in miljarden guldens) het volgende beeld:
Markt Budget Totaal
1992 11.8 4.8 16.6
1997 9.8 5.2 15.0
2001 10.4 5.2 15.6

Al eerder werd duidelijk wat, bij een ongewijzigd beleid en een traditionele bouwwijze, dit voor een enorme berg sloop- en bouwafval zal opleveren. Het groeiende besef van het belang van het milieu hoeft hier niet te worden aangetoond, het is daarvoor te evident. Kortom; als het XX-concept 'een' antwoord geeft op deze ontwikkelingen is daarmee het belang van deze nieuwe kijk op bouwen een feit.


7.2 De gevolgen

7.2.1 Het milieu en de bouwwereld
Voor de leden van het XX-team was vooral de ervaring van de totale omslag in het denken over duurzaam bouwen het voornaamste: 'Mohammed en de berg'. Anderen moeten deze ervaring nog rijk worden; een grote omslag in het denken. Als het dan na enige tijd lukt om producenten van bouwmaterialen, architecten en opdrachtgevers het belang van het XX-concept te laten doorgronden om het vervolgens, voor elke type gebouw weer anders en steeds mee-evaluerend in de tijd ook toe te passen, kan dit niet anders dan grote positieve gevolgen hebben voor ons milieu.

7.2.2 De stedenbouwkundige gevolgen
Tot voor kort was men het in Europa voor steden gewoon; de oeroude binnenstad leek eeuwig onveranderlijk. Per straat werd in een mensenleven wellicht een enkel pand vervangen, maar ieder kon zijn gehele leven in de stad doorbrengen tegen de achtergrond van hetzelfde decor. Continuïteit was alom aanwezig. 'Weliswaar de stad vanaf halverwege vorige eeuw steeds sneller, maar ook die wijken leken voor eeuwig bevroren in hun vorm. Totdat ...

Verenigde Staten
In de oudere Amerikaanse steden begon het voor het eerst duidelijk te worden. Door de hoge grondprijzen, en dus huren, verlieten bijna alle bewoners de binnenstad. Alleen winkels bleven bestaan. De ring net om de binnenstad verpauperde steeds sneller. Steeds weer nieuwe jaarringen van sub-urbia groeiden om de stad heen en alleen de sociaal zwaksten bleven in de wijken rond het centrum achter. Deze wijken vervielen in hoog tempo en werden sociale getto's. Tenslotte werd de situatie zo slecht dat (opzettelijke) brandstichting volgde en er jarenlang een groot leeg niets overbleef, een kale vlakte. Duidelijk werd dat zonder overheidsingrijpen ook wijken hun levenscyclus kenden. En die verliep steeds sneller. Voor sommige Noord-Amerikaanse steden geldt dat tijdens een mensenleven de stad zich wel drie tot vier maal vernieuwde. Sociologen zochten hierin een reden waarom er allerlei sociale problemen bij de stadsbevolking optraden. Als men geen tijd heeft gewoon te geraken aan de omgeving, er aan te hechten, wordt er ook geen sociaal bindweefsel gevormd in deze wijken. Men deelt immers niets met zijn buren, het gezamenlijk in een wijk of straat wonen heeft geen betekenis meer. Eenzaamheid en gebrek aan sociale controle zouden hier uit voortkomen.

Europa
In Europa wilde men deze effecten voorkomen. Doordat genoemde stedenbouwkundige ontwikkelingen in Europa zich later voordeden dan in de Verenigde Staten, was men er enigszins op voorbereid.
Stadsvernieuwing was het antwoord. Door systematisch de oudere wijken te vernieuwen, hoopte men ongewenste gevolgen te kunnen voorkomen. Met financiële steun onder strenge regie van de overheid werd begin jaren zeventig in Nederland de stadsvernieuwing op gang gebracht, met het motto 'Bouwen voor de buurt'. Daarmee bedoelde men dat na de vernieuwing van de huizen de oorspronkelijke bewoners zouden terugkeren. Inspraak en medezeggenschap waren bij dit proces de kernwoorden. Men moest het immers de bestaande bewoners zo veel mogelijk naar de zin maken.

XX: weggooi stedenbouw?
Is het XX-concept nu een stap terug? Het lijkt er wel op. Immers na twintig jaar verdwijnt het XX-gebouw en kan de grond een geheel andere bestemming krijgen. Maar ook als de bestemming gehandhaafd blijft, zal de vorm van het tweede generatie XX-gebouw op die plek er altijd anders uitzien. Veranderende eisen van de gebruikers, maar ook de voortschrijdende technieken beïnvloeden die vorm. Dus geen vast decor als achtergrond voor het 'leven'. Het antwoord op de vraag 'Is het XX-concept nu een stap terug?' luidt dus ...

De maatschappelijke gevolgen
Dat antwoord is niet zo simpel te geven. Eerst is het noodzakelijk te bekijken hoe het is afgelopen met de stadsvernieuwing, die poging om functies, mensen, sociale netwerken te verankeren op één plek in de stad. In alle grote steden in Nederland is gebleken dat 'Bouwen voor de buurt' een illusie is geweest. In wijken als De Pijp en de Schilderswijk wonen nog maar buitengewoon weinig mensen die er vijfentwintig jaar geleden ook al gehuisvest waren. Steeds nieuwe groepen nieuwkomers zijn de wijken binnengestroomd en verlaten die wijken ook weer zodra men zijn draai vindt in de Nederlandse samenleving en langzaam de eerste stappen op de sociale ladder worden gezet. Kortom, 'Bouwen voor de buurt'; wanneer hoorde u die kreet voor het laatst?

XX maakt stedenbouw stuurbaar
Vol bewondering beschouwen velen de stedenbouwkundige plannen van Berlage in Amsterdam als het voorbeeld van hoe het moet. Ze vergeten daarbij dat het plan één is, maar de consequente uitvoering twéé. Stedenbouwkundigen beraden zich de laatste jaren op hun taak. Voeren zij de regie van de stad of schetsen zij slechts de randvoorwaarden waarbinnen de maatschappelijke krachten zich 'uitleven'? Het lijkt wel of slechts in autoritair geregeerde landen absoluut consequente doorvoering van stedenbouwkundige plannen over een lange reeks van jaren mogelijk is. Een voordeel? Nee, zelfs stedenbouwkundig niet. Daarvoor is de maatschappij teveel in beweging. Wat in de jaren vijftig het summum was, flats in stroken met veel groen en lange zichtlijnen, wordt nu als onprettig ervaren. Een ander voorbeeld? Het belang van openbaar vervoer-knooppunten groeit. Het liefst heeft men daar omheen werkgelegenheid geconcentreerd. Maar soms ligt er al een woonwijk. Slopen en vervangen door kantoren is maatschappelijk wel gewenst, maar bij traditionele bouw financieel niet haalbaar.
Oftewel, de wensen waarop de stedenbouw een antwoord dient te geven fluctueren ook. En steeds sneller! Het XX-concept maakt het mogelijk een bestemmingsplan na twintig jaar radicaal te wijzigen.


7.2.3 De architectonische gevolgen

Moet een XX-gebouw in functionalistische stijl?

Het XX-kantoor is als een high-tech-gebouw te kwalificeren. Dit is een stijl van architectuur waarbij steeds geavanceerde technieken worden benut en dit ook in de vormgeving duidelijk wordt gemaakt. Is dit nu bij 'een' XX-gebouw noodzaak? Is een postmodern XX-gebouw een contradictio in terminis? Geenszins, elk gebouw kan in welke architecturale stijl dan ook worden vormgegeven met het XX-concept.
Maar binnen de mogelijkheden en beperkingen van die architectonische stijl is met het XX-concept optimaal milieuvriendelijk bouwen mogelijk. Wel zou het spannend zijn eens te bezien welke architectonische stijl vormgegeven met het XX-concept nu het beste uitpakt. Spannend, maar de uitslag mag niet tot eenvormigheid leiden.

Eenvormigheid troef?
Die angst is ook ongegrond, alhoewel angst? Ligt de schoonheid van juist de classicistische architectuur niet in het voorspelbaar geordende?
Net zo min als 'bouwen voor de eeuwigheid' leidde tot eentonigheid zal het XX-concept dat doen. Trouwens, niet alle gebouwen zullen in dit concept kunnen worden gerealiseerd. Soms willen we een gebouw echt voor de eeuwigheid neerzetten, willen we het gebouw gebruiken om maatschappelijke en sociale gevoelens op te projecteren, willen we juist dat gebouw als houvast in de tijd benutten. XX-gebouwen zullen trouwens ook in die tijd evalueren. Nieuwe materialen komen op de markt, nieuwe constructies worden bedacht, behoeften en functies veranderen.
Daar was het immers ook om te doen geweest; Gebouwen optimaal toegesneden houden op hun functie.


7.3 XX gaat verder

De deelnemers van het XX-team hebben veel geleerd van het XX-project. Maar daar blijft het niet bij:
– Wereldhave heeft nu al gebruik gemaakt van materialen, constructies en technieken uit het XX-kantoor bij de realisatie van een nieuw gebouw bij Brussel.
– In een samenwerkingsverband tussen de TU Eindhoven en de Hogeschool Limburg is in een masterclass bezien hoe, op een locatie bij Heerlen, het XX-concept op grotere schaal kan worden toegepast met lichte stedenbouw. een nieuwe manier van funderen en met riolering die in het gebouw zelf wordt opgelost.
– Aan de TU Delft zijn aio's deelaspecten van het XX-kantoor verder aan het onderzoeken,
– – In een samenwerking tussen XX architecten en het adviesbureau OSR wordt het XX-concept ook op sporthallen betrokken.

Maar het voornaamste is dat het belang van de XX-concept wordt ingezien. Juist het hoofddoel van duurzaam bouwen: 'Het milieu-aspect een vaste plaats geven in de besluitvorming van alle fasen van het bouwproces -van initiatief tot beheer en sloop van het gebouwde- op alle ruimtelijke schaalniveaus' kan met het XX-concept immers een geheel nieuwe invulling krijgen.


7.4 Tenslotte

Intrigerend is de vraag hoe het XX-kantoor er over twintig jaar voor zal staan. Verdwenen zoals voorzien, of -oh ironie- als eerste voorbeeld van een totaal nieuwe bouwopvatting tot rijksmonument verheven en voor eeuwig bewaard. Trouwens, dat is dan wel een lastige klus voor de restaurateurs!

[top] --------- [inhoudsopgave]

Team XX
Ontwikkelingsteam Project XX


ir. C. Alberts, TU Delft, faculteit Bouwkunde Berlageweg 1, 2628 CR Delft
ing. E.A. Blankestiin, Novem, Postbus 8242, 3503 RE Utrecht
drs. A.F. Gelinck, SEV, Postbus 1878, 3000 BW Rotterdam
prof. ir. F. van Herwijn, ABT, Postbus 82, 5800 AB Arnhem
prof. ir. P.H.H. Leilendeckers, TU Eindhoven,
- Faculteit Bouwkunde vakgroep Bouwfysica,
- Postbus 5513, 5500 MB Eindhoven
ir. M. Maurer, TU Eindhoven, Postbus 513, 5500 MB Eindhoven
ing. R. Peeters, Rockwool Lapinus B.V., Postbus 1160, 6040 KD Roermond
prof. ir. J.M. Post, XX architecten, Postbus 596, 2600 AN Delft*
dhr. B. Rouwenhorst, CVK Kalkzandsteen, Postbus 23 1200 AA Hilversum
ing. G.C.J. Verweij, Wereldhave N.V., Postbus 85660, 2508 CJ Den Haag
ir. E. Vreedenburgh, Archipel Ontwerpers,
- Vissershavenweg 62a, 2583 DL Den Haag
prof. ir. J. Westra bi, TU Eindhoven, faculteit Bouwkunde,
- Postbus 513, 5600 MB Eindhoven
(red. namen en adressen stammen uit 1999!)

* Het huidige kantooradres (2009) van prof. ir. J.M. Post is:
Groothandelsgebouw, Postbus 18, 3062 JP Rotterdam, +31 10 412 0300
xx@xxarchitecten.nl, www.xxarchitecten.nl

[top] --------- [inhoudsopgave]

Boorziek mensdom

Een huis moet rafelranden kunnen krijgen,
uit zijn hang- en sluitwerk slaan,
donker mompelen, Siberisch jammeren,
Moet zijn pannen kunnen losgooien als haar,
zich laten kastijden door de twijgen van een berk.
Zou daaraan dood mogen gaan.
Hoe zacht zouden steden dan,
een droom van huizenspinsels.

Huizen zouden uit hun windsels moeten kunnen vallen,
traag en statig in het gazon op hun knieën zakken,
zich openen als een vrucht,
weer bos worden,
een landschap als een oude zolder.


L.F. Rosen, uit de bundel: 'Onhandig Hart'
Met dank aan Pierre Leijendekker, die dit gedicht aandroeg.

[top] --------- [inhoudsopgave]

COLOFON

Auteurs Hans Klomp en Jouke Post
Ontwerp en eindredactie Karien van Dullemen, Rotterdam
Foto's Herman H. van Doorn, Soesterberg
Fas Keuzenkamp, Pijnacker
Joost Brouwers, Rotterdam
Jouke Post, Delft
Wereldhave N.V.
Bouwtekeningen XX Architecten. Delft
Atlas GA, Den Haag
Gedicht Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 1998
Druk Drukkerij Goos, Ouderkerk aan den IJssel

Rotterdam, september 1999.
ISBN 90 5279 153 X

SEV Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting
De SEV initieert en steunt experimenten die nieuwe wegen aangeven in de volkshuisvesting. Een andere kerntaak is het verspreiden van kennis uit deze experimenten. De uitkomsten van de experimenten dienen voor de SEV tevens als basis om de betrokken ministeries - zoals VROM, VWS en Justitie – te adviseren.

Dit boek maakt deel uit van het SEV-experimenten-programma Duurzaam Bouwen. Een overzicht van de publicaties van de SEV treft u aan in de SEV-publicatielijst. U kunt de publicatielijst tegen verzend- en administratiekosten bestellen bij:
Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), Postbus 1878, 3000 BW Rotterdam
Informatie en bestellen: telefoon (010) 282 5050
E-mail: order@sev.nl, Internet: www.sev.nl

[top] --------- [inhoudsopgave]
LeoHooijmansBureauGalileoNoordwijkFacilitaireInformatieOnline??


Dit document niet uitprinten, aub. Denk aan het milieu en uw onkosten.
Wilt u het nog een keer lezen maak een bladwijzer (favoriet).
Wilt u het artikel door een ander laten lezen, stuur een link door.



deze informatie wordt u aangeboden door leo hooijmans, lid van fmn
met teksten en informatie van prof. ir. jouke post van xx architecten

XX architecten


www.xxarchitecten.nl

voor informatie klik op de foto....,

(1204-01)


mede mogelijk gemaakt door facilitaire aanbieders online

facilitaire vakbeurs online
nog nooit wat adverteren zó doelgericht en zó lang houdbaar!
365 dagen per jaar/24 uur per dag.


voor presentatie klik op plaatje.....
(1107-01)

desso bv - tapijt in vier seizoenen
cradle2cradle!


voor ipresentatie klik op plaatje.....

(1412-01) 

facilitaire-informatie-online.nl
ingevoerd op 20 juli 2009
het laatst gewijzigd op 11-12-2014

voorwaarden voor gebruik/bezoek van deze website: klik hier....
(de kleine lettertjes, maar dan iets groter)