«« gebouw(kunde),
kantoor(concepten) & vastgoed


De Algemene Rekenkamer


deze informatie wordt u aangeboden door leo hooijmans, lid van fmn




Kleurrijk en veelvormig.
LeoHooijmansGalileoNoordwijkFacilitaireInformatieOnlineHoezo??
De nieuwbouw van de Algemene Rekenkamer


Inhoud

Voorwoord
Een historische locatie
De noodzaak van nieuwbouw
Een buitengewoon lastige opdracht
Vermijd alles waarvan je weet dat het niet aangenaam kan zijn
De kleuren geven het gebouw een abstracte schoonheid
Werken met uitgesproken karakters
Middelaar Groothoff zag het beter worden
Alles moet gewoon functioneren
Aantallen, maten en gewichten
Colofon
Toelichting (april 2009)




Voorwoord

Aan de façade van het zestiende eeuwse voorgebouw is niets veranderd. Het eeuwenoude stadsbeeld van het lommerrijke Lange Voorhout moest intact blijven. Het nieuwe gebouw, dat achter de eeuwenoude bebouwing is verrezen, is dan ook vanaf het Lange Voorhout niet te zien. Maar dat betekent niet dat de nieuwbouw onopvallend is geworden.
Het architectenechtpaar Aldo en Hannie van Eyck heeft onze nieuwe huisvesting ontworpen. En ik zeg het al sinds ik het ontwerp enkele jaren geleden voor het eerst zag en herhaal dat nu de bouw gereed is: de nieuwe huisvesting van de Rekenkamer is het mooiste gebouw dat in de tweede helft van de twintigste eeuw in Den Haag is neergezet.

De nieuwe entree ligt op een binnenplaatsje achter het oude gebouw. De kleuren van het spectrum keren op en in het gebouw overal terug. Daarmee beklemtonen de architecten dat de Algemene Rekenkamer een kleurrijk instituut is. Zij deden ook nog iets anders. Geen vorm is rechthoekig in het nieuwe gebouw. En daarmee bevestigen zij dat wij een veelvormige organisatie zijn.

In dit boekje komen een aantal hoofdrolspelers die betrokken zijn bij de nieuwbouw van de Algemene Rekenkamer aan het woord: voormalig rijksbouwmeester Kees Rijnboutt, architect Aldo van Eyck, kunstschilder Jaap Hillenius, projectmanager Wilfried Lentz van de Rijksgebouwendienst, nieuwbouwcoördinator Arnold Groothoff en hoofd Interne dienst Marja Diessel van de Rekenkamer. Ze geven hun visie op en spreken over hun rol bij de totstandkoming van een prachtig gebouw. Die verhalen zijn het waard om gelezen te worden, want Aldo en Hannie van Eyck hebben voor de Rekenkamer een ruimte gecreëerd van waaruit zij haar werk in de 21-ste eeuw voortvarend kan aanpakken!

Mr. H.E. Koning, president Algemene Rekenkamer
Den Haag, augustus 1997

[inhoud]



Een historische locatie

Zo'n 5500 jaar geleden vormden zich langs de zee lage duinen op de plaats waar nu het centrum van Den Haag ligt. Soms overwoekerde een humuslaag de duinen en konden akkerbouwers er hun gang gaan. De archeologen van de dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag konden van december 1994 tot en met maart 1995 onderzoek doen op de bouwlocatie van de Rekenkamer. Ze troffen schopsteken aan die duiden op bewerking van het land. Mogelijk dateren ze uit de Romeinse tijd, omdat er ook een aardewerkfragment en een munt uit die periode werden gevonden.

De volgende sporen dateren uit de veertiende eeuw. Het terrein werd opgehoogd en geschikt gemaakt voor bebouwing. Greppels, waarin resten van aardewerk zijn gevonden, vormden mogelijk de begrenzing tussen verschillende gebouwde percelen. Het aardewerk wijst op rijkdom van de bewoners. Zeker is dat er op de locatie aan het einde van de veertiende eeuw een huis staat, dat in 1394 wordt gekocht door de familie Van Arkel, één van de machtigste families van Holland. Deze familie had veel bezittingen in het rivierengebied ten oosten van Dordrecht. In 1401 breekt er een elf jaar durende oorlog uit tussen Jan V van Arkel en graaf Willem VI van Holland.
Eén van de gevolgen was dat het pand aan het Lange Voorhout verbeurd werd verklaard. De graafvan Holland schonk het in 1404 aan de orde der dominicanen, die op de hoek van de huidige Parkstraat en het Lange Voorhout een nieuw klooster wilden stichten. In een kleine twee eeuwen breidde het klooster zover uit dat het uiteindelijk het hele gebied tussen het Lange Voorhout, de Parkstraat, de Kazernestraat en de Kleine Kazernestraat in beslag nam. Een groot deel van het terrein was in gebruik als tuin. De stadsarcheologen troffen in de voormalige tuin diverse kuilen aan met afval van de kloosterbewoners.
Ook zijn fragmenten gevonden van natuurstenen grafmonumenten, die mogelijk de tastbare getuigen zijn van de vernielingen tijdens de beeldenstorm in 1566.
In 1574 moesten de monniken het klooster definitief verlaten, omdat Den Haag in handen viel van opstandelingen. De Staten van Holland namen de kloosterbezittingen over. De bijgebouwen van het klooster werden voor een deel gesloopt en de kerk verloor haar functie als gebedsruimte.
Van 1589 tot 1675 zou het koor van de kerk zelfs dienst doen als kanonnengieterij.
Het schip van de kerk werd in 1617 weer in gebruik genomen als protestantse gebedsruimte.


Foto links: Reconstructietekening van de kloosterbebouwing rond 1560 door A. ter Meer Derval
Foto rechts: Glaswerk uit de put van Duyck (foto Peter van Oosterhout, Multimedia, Den Haag)


Omstreeks 1685 kocht Adriaen Duyck, rekenmeester bij de Hollandse Domeinen, twee panden van het voormalige klooster op de hoek van het Lange Voorhout en de Kleine Kazernestraat. Onder het pand van de Rekenkamer liggen nog steeds enkele kelders die tot deze panden behoorden. In het begin van de achttiende eeuw kwamen de panden in het bezit van Anthonie Duyck, de latere raadspensionaris van de Staten van Holland. Hij breidde het huis fors uit. De panden bleven tot 1757 particulier bezit. In deze periode zijn de panden vermoedelijk samengevoegd en voorzien van een nieuwe voorgevel.
De grote hoeveelheid archeologische vondsten in de beerputten duiden op rijke bewoners. Er is een voor Den Haag ongebruikelijk grote hoeveelheid luxe glaswerk en bijzondere porseleinen voorwerpen gevonden. Veel vondsten hadden ook een cosmetische of medicinale functie. Er werden rijke maaltijden genuttigd en het graan was goed gezuiverd.
De hygiënische omstandigheden wijzen ook op rijkdom. In het materiaal van de beerputten zijn slechts weinig darmparasieten gevonden. Luizen en vlooien ontbreken zelfs geheel. Ook vonden de archeologen kalkresten in de beerputten. Kalkbrokken werden aan de beerputten toegevoegd om hygiënische redenen. Het beperkte in ieder geval de stank.

Van 1757 tot 1795 was de stad Gouda eigenaar van het pand op de hoek van het Lange Voorhout en de Kleine Kazernestraat. Het fungeerde als logement voor de afgevaardigden in de Staten van Holland.
Vier maal per jaar vonden de twee afgevaardigden en de stadspensionaris met hun echtgenotes en kinderen er enkele weken hun domicilie. Ze namen hun personeel mee en ontvingen gasten. Een kastelein beheerde het pand. Gouda verkocht het pand weer aan particulieren.
In 1806 werd de staat eigenaar. Er was een grote verbouwing noodzakelijk. Vervallen keukengebouwen in de tuin werden gesloopt en de achtergevel werd vernieuwd. Verschillende overheidsdiensten werden er gevestigd, onder meer de Commissie tot de Zaken, Maaten en Gewigten en het Magazijn van Geneesmiddelen der Armee.
Dit was al op het achterterrein gehuisvest in een voormalig manegegebouw dat stadhouder Willem V in de tweede helft van de achttiende eeuw had laten bouwen. In dit magazijn werden niet alleen geneesmiddelen vervaardigd, maar ook opgeslagen. Later werd de Rijksdienst voor Beeldende Kunst in dit pand gehuisvest.


Van Eyck maakte een 'uitgestelde' ingang voor de Rekenkamer:
'Je komt door dat poortje en dan ineens iets feëerieks.'


Tijdens de sloop van dit gebouw aan de Kazernestraat in 1994 werd een 80 centimeter dikke kloostermuur uit de vijftiende eeuw ontdekt. Er zaten in de kloosterperiode een poort en enkele spitsbogenvensters met gebrandschilderde glas-in-loodramen in. Deze waren in de loop der eeuwen dichtgemetseld en voorzien van pleisterwerk. De muur heeft door de eeuwen heen verschillende functies gehad. In de kloosterperiode was het de buitenmuur van een eetzaal. Na de gedeeltelijke sloop van het klooster aan het eind van de zestiende eeuw werd het een tuinmuur. De muur is gespaard tijdens de sloop en gerestaureerd. De oorspronkelijke binnenzijde van de muur is opnieuw gepleisterd, waardoor het oorspronkelijke verschil tussen 'binnen' en 'buiten' zichtbaar is geworden. Bij twee ramen is de borstwering weggehaald, om een route voor wandelaars vrij te maken.

In 1868 betrok de Algemene Rekenkamer 't pand aan het Lange Voorhout 8.


Rechts: Een nieuw doorkijkje vanuit de oude gebouwen naar het koor van de Kloosterkerk.
Foto links: De oude situatie vanuit vrijwel dezelfde hoek.

[inhoud]

De noodzaak van nieuwbouw

Voor de Rekenkamer in 1868 het complex aan het Lange Voorhout betrok was er een enorme verbouwing nodig. De Kleine Kazernestraat werd twee meter verbreed en daardoor verloor de voorgevel aan die zijde één van de ramen. De 'nieuwe' aanhechting is nog altijd te zien. Ook werd er veel verbouwd aan de achterzijde van het complex.

In de afgelopen eeuw is met kleine verbouwingen en uitbreidingen gepoogd het gebouw geschikt te houden voor de Rekenkamer. Het bood steeds te weinig ruimte. De Rekenkamer moest daarom in de na-oorlogse jaren haar personeel ook huisvesten in drie kleinere panden in de omgeving van het Lange Voorhout. In februari 1987 werd er een groter nieuw pand aan de Parkstraat 20 betrokken waarin het personeel van de drie kleinere dependances werd samengebracht. Maar in 1990 moest de Rekenkamer toch concluderen dat het Lange Voorhout 8 bestond uit 'verschillende, slecht op elkaar aansluitende en gebrekkig geoutilleerde oude gebouwen'. De situatie belemmerde volgens de Rekenkamer een efficiënte organisatie, verschafte een ondermaats werkmilieu en strookte niet met haar identiteit en imago.

In juli 1988 had de Rekenkamer al een basisprogramma van eisen opgesteld. Het kwam uit op 260 werkplekken en 5314 vierkante meter. Omdat de Rijksgebouwendienst deze uitkomst wat hoog vond, kreeg het Bureau Bouw van het Ministerie van Binnenlandse Zaken opdracht om naar het programma te kijken. De uitkomst van dat bureau was lager: de Rekenkamer had recht op 236 werkplekken en 4139 vierkante meter. Door een personeelsuitbreiding wegens nieuwe onderzoeksbevoegdheden van de Rekenkamer werden het uiteindelijk 248 werkplekken.



De Rijksgebouwendienst deed de Rekenkamers sinds het begin van de jaren tachtig suggesties voor nieuwe locaties. Eerst bood de dienst het voormalige gebouw van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen aan de Nieuwe Uitleg aan. Maar dat gebouw viel niet in de smaak van de toenmalige Rekenkamerpresident Peschar. Begin jaren negentig kwam Plein 23 in beeld, het voormalige Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn opvolger Kordes was daar evenmin over te spreken, omdat het een soort verzamelgebouw van overheidsdiensten zou worden. Hij maakte van zijn onvrede over dit voorstel geen geheim in de brief die hij op 19 mei 1990 aan de minister van Binnenlandse Zaken stuurde. De staatkundige onafhankelijkheid van de Rekenkamer moest volgens hem ook uit een aparte huisvesting blijken. De Rekenkamer wilde daarom niet met andere diensten in één pand gaan zitten. 'De Rekenkamer heeft als controleur van de rijksoverheid een geheel eigen karakter.' De medewerkers waren volgens hem zodanig geëngageerd dat ze voortdurend met hun werk bezig zijn en daarover met elkaar praten, op de gang, in de kantine en ook in en rond opleidings- en vergaderfaciliteiten. De formele communicatie was ook zeer open, schreef Kordes. 'Er is nauwelijks geheimzinnigheid over gerezen moeilijkheden tijdens onderzoek, problemen bij de rapportage en meningsverschillen over de uitkomsten'.
De saamhorigheid en de eenheid van handelen, 'kortom het wij-gevoel', werden hierdoor zeer bevorderd. 'Deze situatie kan echter slechts gedijen in de beslotenheid van een eigen behuizing. Naar buiten toe moet de Rekenkamer immers een vastberaden indruk maken en informatie mag pas openbaar worden als de besluitvorming tot in het College is afgerond.'
Een à twee onderzoeken lekten per jaar uit. Dat was lastig volgens Kordes, omdat het meestal ook betekende dat de uitkomsten verkeerd in de krant kwamen. En daar was niemand mee gebaat. 'Daarom: geen met andere diensten gezamenlijke ingang, garderobe, kantine, opleidings- en vergaderfaciliteiten. Kortom, een eigen zelfstandige huisvesting is noodzakelijk. Slechts wanneer de hiervoor bedoelde eigen, zelfstandige huisvesting op Plein 23 verwezenlijkt kan worden heeft een afweging door de Rijksgebouwendienst zin.'



Deze brief had effect want er volgde intensief overleg met de Rijksgebouwendienst. Het plan dat tot stand was gekomen, spoorde volgens Kordes geheel met het beleid van de Rekenkamer: een combinatie van een representatief pand aan het Lange Voorhout 8 meteen daarop aansluitend 'sober doch doelmatig kantoorgebouw' aan de Kazernestraat. In het voorjaar van 1997 kon Kordes aan de ministervan Binnenlandse Zaken vragen de vernieuwbouw van de Rekenkamer de hoogste prioriteit te geven. Hij stond al sinds 1983 in het Meerjarenprogramma Projecten Rijkshuisvesting.
Het project werd daarna nog tweemaal een jaar uitgesteld.
Toch kon rijksbouwmeester Rijnboutt in oktober 1991 de naam van het architectenbureau bij de Rekenkamer presenteren: Aldo en Hannie van Eyck. Het College van de Rekenkamer stemde er van harte mee in. In april 1992 werd het projectplan getekend. De voorbereidingen voor de bouw konden beginnen. In augustus 1992 presenteerden Aldo en Hannie van Eyck hun ontwerp bij de Rekenkamer.

[inhoud]


Een buitengewoon lastige opdracht

Voormalig rijksbouwmeester Kees Rijnboutt droeg in 1991 Aldo en Hannie van Eyck voor als de architecten voor de nieuwbouw van de Algemene Rekenkamer.
Rijnboutt: 'De opdracht was buitengewoon lastig omdat zij zoveel kanten heeft.
Er is een grote hoeveelheid historische elementen. Een architect moet op die plek het juiste midden vinden tussen bescheidenheid en uitbundigheid.
Alleen een ervaren, wijze architect kan daarvoor zorgen. Een gebouw moet tegemoet komen aan de verlangens van de gebruiker en moet passen in de omgeving. Het mag geen hoogstandje op zichzelf zijn.'

'Aldo en Hannie van Eyck waren de beste architecten voor dit plan -alhoewel ik me ervan bewust ben dat ze het misschien nog leuker hadden gevonden om een gebouw met een publieke functie te maken. Dat was niet voorhanden. De Van Eycks hebben met hun ontwerp nadrukkelijk gereageerd op de omgeving. Door hun poëtische en tamelijk vrijmoedige oplossing is het gebied stralender geworden. Dat bevalt mij heel goed,want er is al zoveel saai en sleets in onze gebouwde wereld.


Hoek Kazernestraat / Kleine Kazernestraat. Van Eyck heeft door af te wijken van de oude rooilijnen lucht en licht gebracht in een vroeger nogal somber gebied.

Sommige monumentenzorgers wilden dat Van Eyck zijn gebouw direct langs de openbare weg zou neerzetten. Hij zou dan hebben moeten vasthouden aan de rooilijnen, want dan zou de situatie min of meer blijven zoals die was. Maar dat zou een miskenning zijn geweest van het talent van de prins van de Nederlandse architectuur, want dat is Van Eyck. Als hij voor anker had moeten gaan op de rooilijn, misken je dat er een kans bestaat dat een van de meest getalenteerde na-oorlogse architecten in dat kavel een ensemble creëert van een middeleeuws, een renaissance, een laat-negentiende eeuws en een twintigste eeuws gebouw, dat in het midden van de volgende eeuw een prachtige doorsnede geeft van de architectuur door de eeuwen heen in dit land.
Van Eyck is een van de grote architecten van Nederland, maar hij had slechts één opdracht voor het Rijk uitgevoerd: een meubeltje voor een gedenkboek voor gevallenen in het gebouw van de Tweede Kamer.
Dat is te bescheiden. Ik vind dat er in de catalogus van het Rijk een mooi gebouw van Van Eyck moet staan.'

[inhoud]


'Vermijd alles waar je weet dat het niet aangenaam kan zijn'



'Een kantoorgebouw is maar al te vaak een koel ding. Het heeft, anders dan bijvoorbeeld een woonhuis, maar één functie.
Bovendien heeft de Rekenkamer niet veel extra ingrediënten die een kantoorgebouw alsnog kunnen verlevendigen. Een ontwerper moet vooral proberen de negatieve aspecten van zo'n gebouw te elimineren. Vermijd dus alles waarvan je weet dat het niet aangenaam kan zijn.'
Aldo van Eyck (1918) was verrast toen rijksbouwmeester Rijnboutt hem vroeg om de nieuwbouw van de Algemene Rekenkamer te ontwerpen. 'Ik ben altijd verrast als iemand mij vraagt, want ik heb in de loop der jaren niet een al te groot aantal gebouwen gemaakt.' Maar voor Architectenbureau Aldo en Hannie van Eyck is de vraag alleen nog geen reden om er direct op in te gaan. 'Sommige projecten hebben we afgewezen, omdat we er geen kwaliteit uit kunnen halen. Ook een opdrachtgever moet een idee hebben. Onze taak is het om dát idee vorm te geven.'
Het echtpaar Van Eyck ging met nieuwbouwcoördinator Arnold Groothoff van de Rekenkamer kijken hoe de mensen met elkaar werkten in de oude gebouwen.
'Groothoff vereenzelvigde zich helemaal met de Rekenkamer, vertolkte de wensen en is zeer kritisch. Hij wist de sfeer en het klimaat te pakken.
'De gebouwen met al hun trappetjes en gangetjes hadden volgens Van Eyck iets 'geknutselds. Maar dat is tegelijkertijd intiem en daar houden mensen van. Het was een verfomfaaide boel, met aan de voorkant aan het Lange Voorhout nog een paar voorname stijlkamers, die in feite niet erg toegankelijk waren voor de velen die er werken. We zagen dat veel deuren openstonden. De mensen zochten wel hun eigenplek op, maar ze hadden ook behoefte aan contact. Een sociaal stel individualisten dus, die heel moeilijk werk verrichten.'

De stompe hoek aan de Kleine Kazernestraat (foto links)
Het Grootboekgebouw met het torentje (foto rechts)

De Van Eycks maakten een wandeling rond het complex. De oude gebouwen aan het Lange Voorhout en het Grootboekgebouw met het torentje halverwege de Kleine Kazernestraat moesten blijven staan. Het nieuwe gebouw mocht zelfs niet zichtbaar zijn vanaf het Lange Voorhout. Dat beperkte niet alleen de hoogte van de nieuwbouw. De vraag was ook hoe de Van Eycks hun gebouw konden ontsluiten. Naast de Kloosterkerk zagen zij een poort die toegang kon geven tot het achterterrein. Als die poort gebruikt kon worden, dan zou de ingang van het nieuwe gebouw toch -maar dan in uitgestelde vorm- aan het Lange Voorhout kunnen liggen. Van Eyck zag het direct voor zich: 'Je komt door die poort en dan ineens, als een verrassing, iets feeërieks. 'Tegenover de middeleeuwse absis van de kerk ligt nu een hoefijzervormig ingangspleintje. 'Een ronde tweeklank: de twintigste eeuw tegenover de absis uit de middeleeuwen. Concaaf en convex: het ene is holle ruimte en het andere bolle massa.'


De kamers liggen rond de trappenhuizen (foto links)
De binnenstraat langs de daktuin boven het documentatiecentrum (foto rechts)

Vanaf het Lange Voorhout liepen de Van Eycks door de Kleine Kazernestraat naar de hoek met de Kazernestraat om de achterzijde van het complex te zien. 'Ik schrok. Een chaos van massale gebouwen die daar samengepropt stond. Een zeer negatieve ervaring.' Op de hoek keek hij naar rechts richting Denneweg. 'Ik zag het oude Den Haag. Een soort landelijke dorpsarchitectuur, lage huisjes en wat bomen, bijna aandoenlijk. Een aangename straat.' En als hij naar links keek zag hij aan het einde van de Kazernestraat op de hoek met de Parkstraat een groot bleekgebouw, dat met z'n rug naar de Kazernestraat gekeerd is. 'Een enorm harde kolos, een echte achterkant.'
De Van Eycks stelden zich een leeg, open terrein voor en vroegen zich af hoe ze het aanzienlijke bouwvolume van het programma van eisen op die plek konden krijgen. Eén ding namen ze zich voor: ze gingen niet langs de bestaande rooilijnen bouwen. 'Dan staat er straks een modern gebouw in plaatsvan een oud. Dat is stedenbouwkundig gezien precies hetzelfde.'

De Van Eycks vonden dat er lucht en licht moest komen op die plek. Ineens zag Van Eyck iets dat zijn kijk op de Kazernestraat geheel veranderde: het huisje op de hoek van de Kleine Kazernestraat tegenover de Rekenkamer heeft geen rechte hoek, maar een stompe. Langs die afgeknotte hoek zou hij de Kazernestraat als het ware kunnen ombuigen naar het Lange Voorhout. 'En in die lus of boog zou de nieuwe Rekenkamer oprijzen als een eiland. Dat laatste stukje van de Kazernestraat tot aan de Parkstraat zou er eigenlijk niet meer toe doen.
Dat passieve gebouw op de hoek van de Parkstraat konden we onmogelijk afdekken, maar we konden ons gebouw natuurlijk wel -zonder lawaai te maken laten zeggen: hier ben ik en jij naar de achtergrond.' Het nieuwe gebouw is daarom ook het hoogst aan de kant van de Parkstraat.

Van Eyck was het 'direct' eens met de wens van Rijnboutt om het negentiende eeuwse Grootboekgebouw met het torentje te laten staan. Het is een karakteristieke aanbouw van de negentiende eeuwse rijksbouwmeester C.H. Peters. Daarmee schoof het nieuwe gebouw wel verder naar achter en is het onzichtbaar vanaf het Lange Voorhout. Van Eyck betreurt dat niet. 'De verhouding tussen oud en nieuw in de Kleine Kazernestraat is nu beter. Twee derde van de straat is oud en ons gebouw staat nu gelukkig niet tegenover die afschuwelijke Engelse ambassade. 'In het torentje van Peters vond Van Eyck de oorsprong van de 'vrije vorm' van zijn ontwerp. 'De gevoelige zachtaardige vorm van het gebouw onstond als vanzelfsprekend vanuit dat torentje en buigt dan ineens terug naar de Kleine Kazerne straat. Op de hoek bij de Kazernestraat is het gebouw het laagst en de tuin het breedst.'


Een van de veelhoekige kamers(foto links).
Trappenhuis dat oud- en nieuwbouw met elkaar verbindt (foto rechts).


Toen begon het schikken en schuiven om het enorme bouwvolume op de plek te krijgen. 'De vraag was: hoe tem je dat volume? Het heeft lang geduurd voor we konden zeggen: het is geen groot gebouw meer.' De Van Eycks kozen het documentatiecentrum als middelpunt van het gebouw. Om dat centrum, een collectieve functie, groepeerden ze drie kernen. Iedere kern heeft als centraal punt een trappenhuis, waar van boven daglicht invalt. 'De trappenhuizen maken het verticale contact heel gemakkelijk, want de weg van een kamerdeur naar de trap is heel kort. De meeste kantoren worden gestigmatiseerd door hun lange gangen met aan het einde van die gangen een kil trappenhuis. Daarmee verlaat je eigenlijk het gebouw om op een andere verdieping weer binnen te treden: je komt er niet graag. Zo is ons gebouw niet.' Van Eyck spreekt ook niet over gangen maar over binnenstraten.
'Op de begane gronden de eerste verdieping draait de straat meteen wisselende breedte langs de kamers, terwijl je in het documentatiecentrum naar binnen kan kijken. Op de tweede verdieping kijk je vanuit de straat naar een hoefijzervormige binnenhof. Hier herhaalt zich de vorm van het ingangspleintje. Geen verdieping is gelijk in het nieuwe gebouw. Steeds ervaar je nieuwe dingen.'


Een ruim opgezette koffiehoek op de grens van oud- en nieuwbouw

De Van Eycks hopen dat het gebouw zal bijdragen aan een goede werksfeer. 'Wij bouwen niet graag een x-aantal kamers voor een x-aantal anonieme bureaucraten. Je moet bouwen alsof het voor één persoon is.' We gaan uit van mensen die niet al te afwijkend van onszelf zijn en we proberen ruimten te maken die niet zo open zijn dat men zich onbeschermd voelt en niet zo dicht zijn dat men naar buiten wil.
Een mens benijdt vogels die vliegen en hunkert aan de andere kant naar de plek van zijn oorsprong. Dat zijn oerbeginselen, maar daarna zijn we allemaal verschillend.
We moeten mensen een plek bezorgen waar ze zich thuis voelen.' Van Eyck definieert een kamer niet als een ruimte met vier wandenen een deur. 'Ik heb niets tegen rechthoekige kamers, maar dan moeten ze wel behoorlijk groot zijn om geen cel te zijn.' De kamers van Van Eyck hebben vaak meer dan vier wanden en het licht valt van meerkanten binnen. 'Ze hebben wijde hoeken. Dat is niet gemakkelijk bij het meubileren. Je moet erbij nadenken, maar er zijn heel goede oplossingen mogelijk.'

Het individu staat centraal en daarom spreekt Van Eyck ook niet over 'secundaire ruimten' in het gebouw. 'Toiletten worden vaak weggestopt, maar dan is het moeilijk om een goed resultaat te behalen.' Ook aan de plaatsen waar de koffieautomaten worden neergezet -twee op iedere verdieping- heeft het echtpaar Van Eyck bijzondere zorg besteed. 'Daar ontmoeten de mensen elkaar. We hebben er Franse balkonnetjes bij gemaakt. We doen altijd ons best om overdekte buitenruimten in Nederlandse gebouwen te incorporeren. In de tropen zie je ze veel, omdat men schaduw zoekt. Maar in Nederland worden ze gauw vergeten, terwijl het zelfs als het regent prettig kan zijn om de deuren toch open te zetten.'


Aldo en Hannie van Eyck inspecteren de bouw

Ook uit de gevel blijkt dat het nieuwe gebouw van de Rekenkamer geen standaard kantoorgebouw is geworden. De ramen worden breder naarmate de gekleurde tegelstroken aan weerszijden van de open regengoten smaller worden.
'We hebben het eentonige opstapelen van verdiepingen doorbroken. En van welke kant je het gebouw ook benadert, je ziet door de stroken steeds een andere kleurstelling. Het gaat om subtiele wisselingen. 'Kunstschilder Jaap Hillenius heeft de kleurenpartituur van de tegelstroken samengesteld. De VanEycks bepaalden de hoofdkleur van het gebouw. Uiteindelijk is het blauw en grijs geworden, maar aanvankelijk kondigden ze aan dat de hele gevel blauw zou worden. Daarover was veel te doen in de Haagse gemeenteraad. 'Het was een waagstuk dat wij aandurfden, want we wisten dat de gevel mooi zou worden.' Er waren ook anderen die tegen het echtpaar zeiden dat ze zo'n voorname instelling als de Rekenkamer niet zoiets spectaculairs mochten aandoen. 'We hebben het goed uitgespeeld. Men reageerde eerst heel voorzichtig, maar later – na de eerste schrik – bleek men niet bang meer voor iets opvallends.'

[inhoud]


De kleuren geven het gebouw een abstracte schoonheid



Kunstschilder Jaap Hillenius moest het kleurenpalet van de gevel van het nieuwe gebouw samenstellen. Dat was een van de voorwaarden van Aldo en Hannie van Eyck voor het aanvaarden van de opdracht voor de nieuwbouw van de Rekenkamer.
Twintig jaar geleden zou de kleurenspecialist de opdracht niet hebben aanvaard, omdat hij te veel ontzag had voor het echtpaar. Maar na zijn jarenlange kleurenstudies en de afronding van zijn drie 'meesterwerken' durfde hij het wel. 'Als je zo'n vraag krijgt van mensen die je bewondert dan doe je dat. Mijn Loenense atelier staat in hun tuin. Ze weten dus wat ik maak.'

De 62-jarige Hillenius heeft het uiterlijk van een late veertiger. Een gebronsde huid, grijze haren en een sportieve jongensachtige uitstraling. Hij noemt zichzelf een colorist. Een specialist in kleuren. Rond 1970 bedacht hij zich dat hij nog een meesterwerk wilde maken. Maar dan moest het wel voor zijn zestigste klaar zijn, want de ouderdom komt met gebreken. Eén van die gebreken is dat het hoornvlies van oudere mensen troebeler en daardoor geler wordt. 'Door hun gelige hoornvlies zien ze groene tinten eerder als rood. Schilderijen van oude kunstenaars hebben daardoor vaak meer rode tinten.'
Als hij voor zijn zestigste nog een meesterwerk wilde maken, dan moest hij gaan leven als een topsporter. 'De Nachtwacht is het meesterwerk van Rembrandt. Niet omdat het z'n mooiste schilderij is, maar omdat dat schilderij zijn record is. Het is de optimale combinatie van zijn techniek, creativiteit en fysieke mogelijkheden.' Hillenius deed zijn auto weg en fietste voortaan elke dag vijftig kilometer op en neer van Amsterdam naar zijn atelier in Loenen aan de Vecht. 'Ik besloot consequent te gaan werken aan de kleuren.'

Hij borduurde voort op de impressionisten van het einde van de negentiende eeuw. 'Alles wat van waarde is, is gebaseerd op traditie. Er is deze eeuw niet veel met kleuren gedaan, terwijl er veel nieuwe inzichten en technieken zijn ontstaan.' Hij schilderde een jaar lang alleen maar water en legde zich vervolgens een jaar lang toe op gras. Ook bestudeerde hij een jaar lang de kleuren van de tuin bij zijn Loenense atelier. De honderden aquarellen, die hij toen maakte, zijn opgebouwd uit gekleurde rechthoekjes, die te zamen weer een vierkant vormen. Er doorheen lopen enkele zwarte lijnen, die duiden op takken. Hillenius bladert door de stapel aquarellen. De seizoenen trekken voorbij. Langzaam nemen de kleuren toe. Het patroon wordt heftiger en blauwer. In het najaar keren de rust en leegte terug en verschijnen er meer rode tinten. 'De kleuren zijn elk jaargetijde anders. Dat heeft te maken met de breking van het zonlicht in de dampkring. In de winter is de hoek van de aarde ten opzichte van de zon schuiner en worden de blauwen afgebogen. 'Ook onze eigen ogen zorgen voor verrassingen. 'We hebben maar drie kleurreceptoren: rood, groen en violet. Als je rood en groen naast elkaar schildert, zie je er toch een zweem van geel tussen. Ook kunnen vlakken door kleurgebruik ogenschijnlijk gaan bewegen.'
Enkele jaren geleden rondde hij zijn drie 'meesterwerken' af. Het zijn pointillistische schilderijen van drie bij twee meter.
Drie mensen onder een boom in het zonlicht. Nu zijn grote ambitie is ingelost, schildert Hillenius meer ontspannen en emotioneler. Na het overlijden van zijn broer maakte hij De droefheid. Hij zou nu ook een moeder met kind of een ontmoeting kunnen schilderen.



Op het nieuwe gebouw van de Rekenkamer domineren de kleuren blauw en grijs, maar het zal ieder jaargetijde een andere uitstraling hebben. 'In het voorjaar zal het blauwer zijn en in de winter roder, omdat de grijze tegels dan het kleurbeeld gaan domineren onder invloed van het rode winterlicht.' Hillenius' eerste kleurontwerp voor het gebouw was heel anders. Hij had alle gevels gekleurd met lichte tinten. Hij liet het 'redelijk tevreden' aan de Van Eycks zien, maar het viel niet in goede aarde. 'Ze waren er niet blij mee.'
Het was niet de bedoeling van de Van Eycks dat Hillenius de hele gevel zou kleuren. Ze hadden voor hem plekjes gecreëerd: de horizontale strookjes op het midden van de gevelpanelen onder de ramen en de verticale strookjes langs regengoten in de gevel. 'Die tegeltjes zijn echt niet groot. Vier bij zeven centimeter. Ik werd hierdoor behoorlijk in het nauw gebracht. De Van Eycks maakten hem duidelijk wat hem te doen stond. Ze wilden het hebben zoals ik schilder, pointillistisch. Maar voor mij was de grote vraag hoe ik die kleine vlakjes in vredesnaam in één gedachte kon krijgen.'

Tijdens een fietstocht door de steile heuvels van de Ardennen vond hij de oplossing. 'Het moeten halve cirkels zijn, zoals je de wielen ziet van een groepje fietsers. 'Zo zou hij de kleine verticale en horizontale vlakjes met elkaar kunnen verbinden. Op enkele plaatsen ontspringen de halve cirkels bij de regengoten en draaien over de gevel heen. Hij moest zich beperken tot zestien kleuren. Maar welke zou hij kiezen? Het spectrum bestaat uit rood, geel, groen, blauw en violet. De gele en blauwe stroken in het spectrum zijn nogal smal. Rood en violet domineren. Hillenius koos voor een niet hiërarchische oplossing: hij paste de kleuren rood, geel, groen en blauw, anders dan in het spectrum, in gelijke hoeveelheden toe. Iedere kleur gebruikte hij in vier tinten. Verder besloot hij de kleuren niet regelmatig over het gebouw te spreiden. De stroken in de gevelpartij rond de ingang bijvoorbeeld zijn overwegend geel. 'Dat betekende dat ik op de rest van het gebouw minder gelen kon toepassen. Ik heb voor het eerst in mijn leven een rekenmachientje gekocht om het allemaal precies uit te rekenen en uit te tekenen. Het was extreem veel werk.'


Het eerste ontwerp (boven). Het definitieve ontwerp (onder).

Hillenius werkte al voor andere architecten, zoals voor Herman Herzberger bij de bouw van het kantoor van Centraal Beheer en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hij kon altijd maken wat hij wilde als hij de opdracht eenmaal had. 'Maar Aldo en Hannie van Eyck zijn anders. Ze 'lezen' zeer precies wat je maakt en vragen dan waarom je iets doet.
Ze hebben een optimale belangstelling en een enorme energie. Niets ontsnapt aan hun aandacht. Die gesprekken leveren wel iets op, want je leertje eigen argumenten beter kennen. Zij doen er ook hun voordeel mee want hun antwoord op mijn gele ingang is volgens mij de gele trap in de hal. Maar ik denk dat niet veel mensen dit hadden kunnen volhouden. Je moet wel een meegaand karakter hebben. Als Aldo tegen mij zegt: wat ben jij moeilijk, dan is dat een groot compliment.'
Het gebouw is niet 'coloristisch' geworden. 'Ik vind het jammer dat mijn eerste ontwerp niet is uitgevoerd. Een gemiste kans, want het was heel mooi geworden. Het had mijn ideeën van dit moment laten zien. Nu is de kleuring niet esthetisch, omdat ze vastzit aan het principe van de halve cirkels.
De schoonheid is daardoor niet modieus. Het gebouw heeft nu een abstracte schoonheid en is daarom tijdlozer. 't Is er beter van geworden, strenger.'

[inhoud]


Werken met uitgesproken karakters



Als lastpakken. Zo stonden nieuwbouwcoördinator Groothoff van de Rekenkamer en architect Van Eyck bekend bij de Rijksgebouwendienst. Groothoff misschien nog wel meer dan Van Eyck, want Groothoff kenden ze al persoonlijk. Maar Van Eyck had ook geen hoge dunk van de Rijksgebouwendienst. Collega-architect Herman Herzberger had hem verteld dat de dienst bij de bouw van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de stoel van de architect wilde gaan zitten. Herzberger had volgens Van Eyck te maken met 'bijna een schrikbewind van een heel leger heren die allemaal zeiden dat ze een heleboel van architectuur weten'. Van Eyck maakte rijksbouwmeester Rijnboutt daarom meteen duidelijk dat hij daar geen zin in had. 'Dat zal niet gebeuren', zei Rijnboutt. 'Vroeger was dat misschien zo, maar ik ben mijn voorgangers niet.'

Rijnboutt wilde heel graag dat Van Eyck het nieuwe gebouw van de Algemene Rekenkamer zou ontwerpen. Er stonden dus grote belangen op 't spel toen de jonge, regionale projectmanager Wilfried Lentz van de Rijksgebouwendienst kennismaakte met het architectenechtpaar Van Eyck. Lentz maakte zich geen zorgen. 'Wat had ik te verliezen ?', zegt hij. 'Niemand zou het vreemd vinden als het stroef zou lopen.' Lentz zag kansen omdat 'de combinatie van mensen' deugde.' Ik heb er altijd lol in om met uitgesproken karakters te werken.' Het viel mee. 'De Van Eycks stelden zich inhoudelijk en open op, en ook Groothoff bleek een gesprekspartner te zijn die goed meedenkt en positief kritisch commentaar geeft.'
Lentz (39) zag de grote creativiteit van Van Eyck. 'We zaten een week voor de presentatie van het ontwerp aan de Rekenkamer met z'n tienen in Van Eycks kantoor: de architect, de adviseurs en de mensen van de Rekenkamer en de Rijksgebouwendienst. Het ontwerp bleek vier miljoen gulden duurder te zijn dan begroot. 'We hadden dus een probleem. Van Eyck liep wat rond de maquette en zei plotseling tegen zijn vrouw: 'Dit kunnen ze niet bouwen.' Staande de vergadering sneedt hij de bovenste verdieping van de maquette af. Dat was knap. Hij eerbiedigde de financiële randvoorwaarden.
De vierkante meters zijn gevonden in het groter maken van de kelder en in het verwijderen van een aantal verspringingen in de gevel. Het ontwerp is er beter van geworden. Hij nam zijn klant serieus en luisterde heel goed.
De betrokkenheid is enorm. Van Eyck denkt vanuit het gebruik. Als hij de redelijkheid van een wens ontdekt, probeert hij te komen tot een oplossing.' Dat bleek ook toen er bij de aanbesteding plotseling op het ontwerp bezuinigd moest worden. 'We hebben de koeling eruit gehaald en een hoop opsmuk. Nu is er sprake van een natuurlijker klimaat.'


Het bedrijfsrestaurant

Tijdens de bouw, in het voorjaar van 1996, maakte Lentz promotie. Hij werd benoemd tot plaatsvervangend directeur Programma's en Projecten van de Rijksgebouwendienst op landelijk niveau. 'De rolvan de projectmanager bij de Rijksgebouwendienst is veranderd. Vroeger dacht die vooral in termen van macht. Hij zat als opdrachtgever op het geld en was de baas.'
Lentz zoekt evenwel naar samenwerkingen consensus.
'Ik moet goed luisteren en anticiperen.' Communicatie is voor Lentz een sleutelbegrip. 'De belangen van de verschillende partijen moet ik goed in de gaten houden. Om die reden laten we de toekomstige gebruiker ook actief participeren. Je bent als projectmanager steeds minder inhoudelijk bezig. Vroeger mocht de toekomstige gebruiker zelfs niet met de ontwerpers en de bouwers praten. Ik moet ervoor zorgen dat het huisvestingsproces efficiënt verloopt en dat er overeenstemming tussen de partijen ontstaat. Tijdens de bouwvergunningsprocedure bijvoorbeeld ontstonden plotseling problemen, omdat de Jacobuskerk aan de Parkstraat verzakte. Naast die kerk was een diepe bouwput gegraven. Bouw- en Woningtoezicht stelde daarom nadere eisen aan ons bouwproject naast de Kloosterkerk.
De door de Rijksgebouwendienst ingehuurde adviseurs hadden daarop gespitst moeten zijn. Maar dat was niet zo. De bouw is vreselijk fragmentarisch. Ieder doet zijn eigen vak en probeert de zwartepiet te ontlopen. Gelukkig konden onze eigen mensen de bezwaren van de gemeente wegnemen. Daardoor hebben we geen vertraging opgelopen. Dat bevestigt ook het bestaansrecht van de Rijksgebouwendienst. Je kunt niet alles uitbesteden. De mensen van de Rekenkamer hebben overigens bij de ingehuurde adviseurs ook nog het een en ander moeten corrigeren. 'Later moest het bureau van de rijksbouwmeester nog in het geweer komen. Omdat er weerstand kwam van de monumentenzorg.' Ook die steun heeft goed geholpen. Lentz denkt dat de Rijksgebouwendienst ook nog eens goed zou moeten kijken naar zijn eigen kosten deskundigheid. Het bedrag van de laagste aanbieder bij de aanbesteding was hoger dan de externe adviseurs van de Rijksgebouwendienst hadden verwacht. Er moest bezuinigd worden. 'We beschikten niet overeen uitgebreide interne expertise. Dat was een heel vervelende situatie.'


De ingang van de parkeergarage ligt in de Kazernestraat.
Er is op die plek nu ook een vrij zicht op het koor van de Kloosterkerk en de middeleeuwse kloostermuur


Toch waren deze tegenvallers nog maar kleine rimpelingen. De bouw had in de winter van 1995/1996 te maken met een lange periode van strenge vorst. Na de winter probeerde de aannemer de achterstanden in te lopen, maar in de zomer van 1996 bleek plotseling dat de tegels niet goed aan de gevelelementen vastzaten. De gevel moest worden afgekeurd. Na uitgebreide tests konden de nieuwe gevelelementen pas in het voorjaar van 1997 worden aangebracht. Verder kreeg Architectenbureau Van Eyck in de zomer van 1996 te maken met personele problemen. Een van de twee medewerkers vertrok en de andere werd ziek. Dit alles zorgde voor vertraging. Lentz: 'Je kunt wel stellen dat dit de grootste crisis tijdens het hele project is geweest. De bouw liep tot de zomer van 1996 eigenlijk op rolletjes. Ik had er weinig omkijken meer naar en gaf de meeste aandacht aan mijn nieuwe baan. Maar iedereen op de bouw kwam onder grote druk te staan. 'We moesten alle zeilen bijzetten om de stemming en het tempo erin te houden.'


Het cirkelvormige documentatiecentrum vormt het hart van het gebouw.

Van Eyck vond dat het werk perfect moest worden opgeleverd. Niets ontsnapte aan zijn aandacht. Het ontwerpproces ging in de verfijningen tot het laatste moment door. 'Dat is inherent aan de werkwijze van de architect. De Van Eycks eisten het uiterste van alle partijen om de verbeteringen gedaan te krijgen. Als enkelen dan ook nog onder de maat presteren, is het leven niet eenvoudig meer. Ook de Rekenkamer vroeg om een aantal aanpassingen, die overigens terecht waren. Aanvankelijk was de reproruimte bijvoorbeeld geplaatst in de Grootboekzaal, maar die is op het laatste moment een vergaderzaal geworden.
De bouw is daar op zo'n moment niet meer op ingesteld, zodat het proces zeer moeizaam gaat. Maar je kunt het ook niet tegenhouden. 't Is bovendien geen standaardgebouw. Dat geeft onzekerheid. Sinds de zomer van l996 moest er erg veel geïmproviseerd worden. Iedereen moest flexibel zijn. Gewoonlijk sta je als opdrachtgever vanaf het moment dat de uitvoering begint, relatief ver van de uitvoerende partijen af. Je geeft het dan in handen van de ingehuurde bouwdirectie. Maar bij dit project moest ik telkens bijspringen om de zaak aan de gang te houden. Ik kan niet zeggen dat het uiteindelijk allemaal is meegevallen, maar het is gelukkig toch nog goed gekomen. De verhuizing van de Rekenkamer is slechts drie maanden vertraagd. Er staat nu wel een mooi gebouw. 'Op 23 juni 1997 nam de Rekenkamer het gebouw in gebruik.

[inhoud]


Middelaar Groothoff zag het beter worden



Eind 1987 werd Arnold Groothoff 'coördinator nieuwbouwaangelegenheden' van de Rekenkamer. Het was een extra taak naast zijn functie als chef van het bureau Redactie en Voorlichting. Hij had er wel tijd voor, want na de publicatie van het vuistdikke jaarverslag eind maart was er in die tijd maanden lang weinig te doen.
Toevallig was hij ook elektrotechnisch ingenieur. Hij kreeg weer met technici te maken, wat hem na al die jaren temidden van accountants en economen uitstekend beviel. In februari 1994 werd hij 65, maar hij mocht de nieuwbouw van de Rekenkamer afmaken.

Het viel Groothoff, toen hij in 1983 bij de Rekenkamer kwam werken, direct op dat hij op de wc zijn handen niet kon wassen. 'Er was in dat oude gebouw geen wasbakje op het toilet.' Zonder iets te vermoeden, zei hij tegen een collega: 'Daar ga ik nog eens iets aan doen.'
Namens de Rekenkamer onderhandelde hij vanaf 1985 met de Rijksgebouwendienst en het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de huisvesting van de Rekenkamer.
'Er was veel geruzie over het aantal werkplekken. Ze verbaasden zich over het grote aantal vergaderruimtes en leslokalen dat we nodig hadden. We hebben op alle departementen mensen zitten en we hebben een unieke taak in het staatsbestel. Er moet dus veel centraal vergaderd worden om af te stemmen en we hebben speciale opleidingsprogramma's voor onze medewerkers. Ik moest vaak drammen om het er door te krijgen.'
Het leverde Groothoff bij de Rijksgebouwendienst de reputatie op dat hij een lastige man was. 'De ambtenaren bij de Rijksgebouwendienst waren er volgens mij niet aan gewend dat iemand gewoon zei waar het op stond. Als iets onacceptabel was, dan koppelde ik het niet terug, maar vertelde het direct. Daar schrokken ze wel eens van. Dat is niet lastig, maar zakelijk. Er is de afgelopen jaren overigens wel veel veranderd bij de Rijksgebouwendienst, want het contact is directer geworden.'

Groothoffs eerste kennismaking met de Van Eycks was onverwacht. Toenmalig Rekenkamersecretaris Van der Zanden had hem gevraagd 'enkele mensen van de Rijksgebouwendienst' rond te leiden. Vrijwel niemand was op die dag in het voorjaar van 1992 aanwezig omdat er een sportdag was. 'Plotseling stond ik tegenover het echtpaar Van Eyck. Ze waren zeer geïnteresseerd en wilden weleens zien hoe de Rekenkamer werkt.' Omdat het gebouw leeg was, beschreef Groothoff zelf maar de sfeer. Hij vertelde dat de Rekenkamer een soort bijenkorf is.
'De onderzoekers lopen in en uit. Op de trappen en bij de koffieautomaten lopen ze elkaar tegen het lijf en stemmen ze de zaken met elkaar af. De trappen en koffieautomaten spelen een cruciale rol in de informele communicatie. 'Volgens Groothoff is aan die typische Rekenkamerstijl in het ontwerp veel recht gedaan. De trappen spelen een belangrijke rol en de koffiehoeken zijn zorgvuldig vormgegeven.

Groothoff verbaasde zich over de grote interesse van het echtpaar. Dat bleek ook bij de tweede bespreking, waarbij ook hoofd Interne Dienst Marja Diessel betrokken was. 'De Van Eycks hebben een enorme energie en spreken altijd tegelijkertijd. Marja en ik keken elkaar aan en spraken stilzwijgend af dat zij verder met haar zou spreken en ik met hem.
Na afloop stemden we dan af als het nodig was. Vanaf het begin heeft dat goed gelopen.' Groothoff heeft met Van Eyck geen problemen gehad. 'Als je in redelijkheid met hem praat is hij een uiterst redelijke man. Hij hield zeer precies rekening met onze wensen.' Toen Groothoff eens twijfelde of Van Eyck ergens van op de hoogte was, keekVan Eyck op en zei fijntjes lachend: 'Maar meneer Groothoff, ik heb uw programma van eisen toch gelezen en ik doe toch precies wat u vraagt?'


De Panoramazaal

Een keer ging het bijna mis. Groothoff kreeg een woedende brief, omdat Van Eyck vreesde dat Groothoff buiten hem om een portret van de Koningin voor de hal van het nieuwe gebouw had uitgezocht. Hij dreigde zelfs zijn opdracht terug te geven, maar eindigde met 'een hartelijke groet'.
Groothoff draagt de brief nog steeds in zijn binnenzak als kostbaar relikwie. 'Er is nooit meer over gesproken, want enkele dagen later bleek dat de zaak goed zat.'
Groothoff heeft zich tijdens de bouw verbaasd over de rol die hij moest vervullen. 'Je verwacht dat bouwers met alle voorzieningen rekening houden en dat ze je vragen voorleggen over de keuzes die je moet maken. Maar dat is niet het geval. Je moet alle tekeningen zelf meelezen en aanwijzingen geven. Een dag voordat de vloer van de kelder werd gestort, zag ik vanuit mijn kamer dat er in het hart van het ijzervlecht werk geen pvc-buisje zat voor de afvoer van een waterbak voor de schoonmakers. Ik ben snel naar de opzichter gegaan om te melden dat dat moest gebeuren. Het buisje is toen alsnog aangebracht. Maar toen de bouw bijna werd opgeleverd, zag ik dat er geen waterbak was aangebracht, maar een wastafel. Zo zijn er veel meer dingen gebeurd. Ik ben op een gegeven moment alle kamers afgelopen om te kijken of de computeraansluitingen wel waren aangebracht. Dat bleek lang niet overal het geval te zijn. Ik begrijp dat niet. Ik zag ook dat de verschillende adviseurs met verschillende tekeningen werkten. Dat heeft voor veel problemen gezorgd. Op de tekeningen van het adviesbureau voor de zonwering stond de noordpijl bijvoorbeeld verkeerd. Daardoor zou de zonwering voor de verkeerde ramen zijn gekomen. Gelukkig hebben we veel van die tekortkomingen kunnen signaleren, waardoor het een beter gebouw voor de Rekenkamer is geworden.'


De nieuwe entree van de Rekenkamer op het binnenplaatsje tegenover het koor van de kerk.

Groothoff zat bij alle bouwvergaderingen en liep veel over de bouw rond.
'Ik leefde me steeds in in de rol van de toekomstige gebruiker. Dat was het uitgangspunt voor mijn opmerkingen.
De Rijksgebouwendienst let er vooral op dat het gebouw op het juiste moment tegen de afgesproken kosten gereed is, maar er is in die bestekken nog veel opengelaten.'
In het laatste halfjaar voor de oplevering kwam het werk Groothoff soms 'de strot uit', omdat afspraken niet bleken te zijn nagekomen. Maar er was vaak ook sprake van nieuwe inzichten die het gebouw konden verbeteren.
De spanningen liepen daardoor soms hoog op. Een paar weken voor de oplevering werd er bijvoorbeeld een extra bouwvergadering ingelast, omdat Van Eyck het niet eens was met de plaatsing van koffieapparaten en printers in ronde nissen aan het einde van twee gangen in de oudbouw. 'De waterleiding, de netwerkaansluiting en het stopcontact, die al twee jaar op de bouwtekeningen hadden gestaan waren keurig aangelegd. 'Waarom moesten die nu weg?' Waarom had hij niet eerder gezien dat hij het anders wilde? Iedereen was boos. Maar Van Eyck had gelijk.
Op die mooi vormgegeven plek moet je geen koffiemachine, maar bijvoorbeeld een beeld neerzetten.' Groothoff vindt Van Eycks uitbarstingen interessant. 'Ik heb het nu door. Die man is een genie. Hij is helemaal niet lastig. Maar mensen met een uitzonderlijk groot verstand hebben het moeilijk om de kloof tussen henzelf en de anderen te overbruggen. Dat rechtvaardigt het bestaan van middelaars. In het Rooms-Katholieke geloof speelt Maria die rol: het volk spreekt tot haar en niet tot de Heer. Van Eyck is zo goed dat hij voor anderen moeilijk te volgen is. Ze geven hem op den duur wel gelijk, want elke verandering maakt het mooier. Men neemt hem dan kwalijk dat hij niet alles tegelijk gezien heeft. Maar dat kan niet, zeker niet in de details zoals hij dat doet. Je moet zo'n architect de ruimte geven als je optimaal van zijn grote scheppingskracht gebruik wil maken. Zolang hij een middelaar in zijn buurt heeft, loopt het prima. Maar toen zijn medewerker Abel Blom in de zomer van 1996 door ziekte wegviel, ontstonden problemen. Abel vervulde die rol heel erg goed. Maar hij moest op een gegeven moment op zoveel dingen tegelijk letten dat hij zichzelf over de kop werkte. Van Eyck verscheen toen zelf op de bouw. Hij heeft dan de neiging om de mensen die hij op dat moment ziet, aan te spreken over verbeteringen. Hij denkt dan dat het ook zal gebeuren. Maar het gebeurt niet en hij windt zich op. Eigenlijk moet je iemand met Van Eyck meesturen die al zijn op- en aanmerkingen noteert, want hij vergeet niets. Bij het College van de Rekenkamer zie je iets vergelijkbaars. De Collegeleden hebben ook de neiging om de eerste de beste die ze in de gang tegenkomen te vragen om iets te verbeteren of uit te zoeken. Soms weet die persoon helemaal niet waar het overgaat, knikt instemmend, loopt met een vraagteken in zijn hoofd verder en vergeet het vervolgens. Bij de Rekenkamer heb je ook middelaars nodig tussen het College en de rest van de organisatie. De afdelingen Beleid en Bestuur, en Redactie en Voorlichting vervullen die rol. Ze kennen de gedragspatronen en kunnen voor anderen vertalen wat de bedoeling is. Omdat ik zelf jarenlang bij de Rekenkamer die rol van middelaar had gespeeld, kon ik hem nu ook vervullen tussen alle partijen die bij de bouw waren betrokken.'

[inhoud]


'Alles moet gewoon functioneren'



Marla Diessel, hoofd Interne Dienst van de Rekenkamer: 'Arnold Groothoff en ik hebben altijd intuïtief en vlekkeloos samengewerkt, met één stem de organisatie vertegenwoordigd. Er waren wel eens zakelijke verschillen van inzicht, maar we hebben nooit met rode koppen tegenover elkaar gestaan. Want als hij woest werd, was ik rustig en omgekeerd. Ik heb veel van zijn tact geleerd, want hij kan heel diplomatiek zijn. Vooral als Van Eyck emotioneel werd in de bouwvergaderingen. Arnold bracht het gesprek dan weer op gang door terug te grijpen naar een ander punt. Ik ben iemand die in heftige situaties kan gaan meevechten. Maar hij houdt de partijen bij elkaar.
We hebben geprobeerd om alles te laten passen in de lijn van de architect, het meubilair, de prullenbakken, de postbakken en de dienbladen in de kantine. Die dienbladen zijn er nog niet bij de opening van het gebouw omdat Hannie van Eyck en ik nog niet de juiste hebben gevonden. Daarom zullen we nog een tijdje de oude gebruiken.
In het bestek was alles vastgelegd als het om het werk van de onderzoekers gaat, maar allerlei huishoudelijke zaken waren niet geregeld. Neem je harde of zachte vloerbedekking, hoe regel je de beveiliging van het pand. Welke lichtwering moet er voor de ramen in het gebouw komen? Waar zet je het kopieerapparaat neer?'
'We hadden verwacht dat de adviseurs van de Rijksgebouwendienst ons keuzemogelijkheden zouden voorleggen, want zij kennen de markt en de technische vereisten. Maar dat bleek vaak niet het geval te zijn. We moesten alles zelf uitzoeken en soms hoorden we terloops van de adviseurs dat iets niet kon. Bij een bepaald type lichtwering zouden de ramen zelfs barsten.
Toen we in een laat stadium de kopieerruimte verplaatsten bleek zelfs dat ze helemaal geen rekening hadden gehouden met een aansluiting van 380 Volt.
We hebben veel overleg gehad met de Van Eycks. Vooral toen de inrichting van het pand aan de orde kwam werd mijn contact met Hannie van Eyck intensief. Ze zijn enorm inspirerend. Je krijgt een nieuwe kijk op de dingen en gaat er jubelend weg.
Ze hebben zich enorm in de Rekenkamer verdiept, maar hun filosofie vind ik voor een kantoorgebouw te mooi. Ik heb al op heel wat plaatsen gewerkt en wat mij betreft is een kantoor gewoon een werkplek. 't Is leuk dat ik straks in een kunstwerk mag werken, maar het had ook een standaard kantoorgebouw mogen zijn. Alles moet gewoon functioneren. Ik ben wat dat betreft een praktische Maagd.'

[inhoud]


Aantallen, maten en gewichten:





[inhoud]

Colofon:

Tekst: Ursul Schaap, Algemene Rekenkamer
Fotografie: Levien Willemse, Rotterdam
Vormgeving : BRS Premsela Vonk, Amsterdam
Druk: Helton Van Haringen & Koninklijke Drukkerij De Swart, Den Haag
Uitgave: Algemene Rekenkamer, Den Haag
augustus 1997


Toelichting:

Met de FMN* bijeenkomst van de regio Zuid-Holland, was ik in maart 1998 te gast bij mevrouw M.J. Diessel in het kleurrijke gebouw van de Algemene Rekenkamer. Aan de deelnemers werd een boekje uitgereikt over de nieuwbouw die net had plaatsgevonden. In dit document vind u de tekst en de plaatjes uit het boekje.
Ik heb toestemming gevraagd aan de voorlichtingsdienst van de Algemene Rekenkamer om dit boekje te vertalen naar html.
De heer J. Aerts heeft hier positief op gereageerd op 6 april 2009.

Tijdens het bewerken van 't 'Papieren Boekje' naar deze html-pagina heb ik de tekst nog eens goed kunnen doornemen. Zo'n 'Papieren Boekje' is een mooie uitgave (of geschenk), maar meestal verdwijnt het op een stapel, in een kast, of verdwijnt naar 't archief, de zolder of gaat in de recycling.
Ik hoop dat via deze (snel)weg het boekje een verrijking is voor studenten en medewerkers in de facilitaire branche, architectenwereld, en dergelijke.
Het verhaal gaat niet alleen over de historie en het gebouw, maar vooral de openhartige informatie over de samenwerking tussen Rijksgebouwendienst, de Algemene Rekenkamer, de architect en de bouwwereld is een educatie op zich.

Leo Hooijmans, Noordwijk, 16 april 2009.
*) Facility Management Nederland

[inhoud] - [top^^]
LeoHooijmansGalileoNoordwijkFacilitaireInformatieOnlineHoezo??
Dit document niet uitprinten, aub. Denk aan het milieu en uw onkosten.
Wilt u het nog een keer lezen maak een bladwijzer (favoriet).
Wilt u het artikel door een ander laten lezen, stuur een link door.



deze informatie wordt u aangeboden door leo hooijmans, lid van fmn
mede mogelijk gemaakt door facilitaire aanbieders online

Facilitaire Aanbieders Online


voor zoeken naar producten/diensten en verenigingen
klik op foto....



facilitaire-informatie-online.nl
ingevoerd op 16 april 2009
het laatst gewijzigd op 25-01-2017

voorwaarden voor gebruik/bezoek van deze website: klik hier....
(de kleine lettertjes, maar dan iets groter)